is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden, voor den jare ..., 1834 [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mengelwerk. 523

worde, dat hij er het meeste voordeel mede doe, eu dat de kinderen er het grootste nut van trekken. De onderwijzer behoort er alzoo op uit te zijn, de vaardigheden, welke de kinderen noodzakelijk moeten bezitten, in den kortst mogelijken tijd, en op de meest doelmatige wijze, hun eigen te maken, opdat hij ruimte en gelegenheid hebbe, de som van nuttige kundigheden uit te breiden, en de verstandelijke vermogens naar eisch te ontwikkelen , ten einde alzoo de kinderen in staat te stellen, zich het in de school geleerde voor het leven ten nutte te maken.

Zal nu de onderwijzer aan dit een en ander behoorlijk voldoen; zal hij in zijne gewigtige betrekking al datgene tot stand brengen, wat de maatschappij regt heeft van hem te vorderen; zalhij al dat nut stichten, hetwelk hij in zijnen stand kan stichten: dan moet hij niet alleen vele kundigheden bezitten , en in onderscheidene wetenschappen bedreven zijn ; maar hij moet vooral ook de kunst verstaan, zijne kennis aan de kinderen mede te deelen, voor zoo verre zulks voor hen behoefte is ; hij moet met de wegen bekend zijn , die hem het spoedigste naar het doel geleiden, en hem hetzelve op de zekerste wijze kunnen doen bereiken; hij moet de hinderpalen kennen , welke zich op zijnen weg kunnen voordoen, en de hulpmiddelen weten, die hem in staat stellen, dezelve te boven te komen.

Het is waar, hij kan zich uit boeken en geschriften met de nieuwste leerwijzen bekend maken, daaruit velerlei kundigheden opzamelen , de ontdekkingen vernemen, die nog

da-