is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in Holland, 1811 [volgno 3]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3? AANMERKINGEN WEGENS I)E NIEUWE

gen van gefchikte onderwijzers. Er is wel geene reden om zich in dit opzigt te beklagen; integendeel , de ondervinding leert, dat het aantal van wel aangebragte jonge onderwijzers aireede aanmerkelijk is, en dat het, offchoon het Gouvernement zich hiermede nimmer regtflreeks inliet of daartoe opzettelijke inrigtingen maakte, geenszins aan goede gelegenheden ontbreekt ter vorming van aankomende onderwijzers. Maar aan den anderen kant is het waar , dat er in verfchillende Departementen geheele (treken zijn , waar het aanbrengen van jonge lieden tot toekomdige en althans goede onderwijzers nog eene groote zeldzaamheid is; als mede, dat bet meer'algemeen maken hiervan van te grootere noodzakelijkheid wordt, zoodra er doorgaande op de fcholen meer ondermeesters zullen moeten geplaatst worden. De bepaling, almede met de nu vas'tgeltelde maatregelen verbonden, dat op elke fchool toereikend zal moeten voorzien worden in het bezor, gen van .noodigc hulp aan de onderwijzers, en zulks onder eene behoorlijke te gemoetkoming der daartoe gevorderde onkosten, zal van zelve dienen om voortaan meer jonge lieden tot onderwijzers te zien vormen en aankvveeken, waarvan dan ook de eindelijke volkomene fchoolverbetering eenmaal, en, gepaard met andere maatregelen, fpoedigzaï te wachten zijn.

Wat de vebetcring der zoogenoemde kleine kinderfch ooitjes, ten gevolge der in te voeren Schoolfondfen , aanbelangt. Niets is onbetwistbaarder,

dan