is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in Holland, 1811 [volgno 5]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor het departement utrecht. 107

"ar. De Leermeester ziet toe, dat de fcholieren, Onder het fchrijven, niet krom of fcheef, maar j;egt opzitten; hij houdt altijd een genoegzaam aantal voorfchriften gereed ; deze voorfchriften moéten net en fraai'gefchreven, de hoofdletters en zinteekens Wel geplaatst zijn; verder moeten dezelve leerzame zaken of fpreuken bevatten, naaide vatbaarheid der kinderen ingerigt, en voornamelijk uit de voorfchriften, bij p. den hengst en zoon , te Amftcrdam gedrukt, ontleend, en de zin daarvan verklaard worden.

Art. 22. De Meester ziet de fchriften der kinderen telkens naauwkeurig na, brengt hun het gebrekkige in dezelve onder het oog, niet alleen ten aanzien van de gedaante der letters, maar hij wijst ook de fouten aan, regens de fpelling, enz, begaan, en laat dezelve verbeteren.

23. Eenmaal in iedere week, moeten er kampfchriften gefchreven worden, om in aanmerking genomen te worden bij het toewijzen van de zitplaatfen voor iedere week. Voorts moeten er, ieder half jaar, prijsfchriften gefchreven worden, om die bij plaatshebbende Schoolexamen te kunnen vertoonen, en in de fchool op te hangen.

Ook zal, in elke wêek, ten minfte éénmaal, en wel op den laatften fchooltijd derzelve, herhaling gehouden worden van alles, wat van maandag af geleerd is (art. 18.)

24. Waar het getal der fcholieren meer dan zeventig is, zal men bedacht zijn, om eenen Ondermeester aan te nemen, terwijl de Onderwijzers zoowel van zulke, als van kleinere fcholen, wor- II. D. schoolw. II den