is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in Holland, 1811 [volgno 5]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOOR HET DEPARTEMENT UTRECHT. 109

dé) Door een fraai fchriftelijk bewijs van vlijt en braafheid.

a8. Alle ftrafoefening moet gefchieden met on.partigheid, met gematigde geftrengheid, zonder ftrenghéid, zonder drift, en zoo veel mogelijk, naar de geaardheid van de kinderen, en nrfar den aard en de bronnen van het bedreven kwaad.

Eersten voornamelijk ftraft hij:

a. ) Dooi' opteekening in het zoogenaamd'zwartboek.

b. ) Door verlaging van plaats.

c. ) Door verwijzing naar eenen afgezonderden

hoek in de fchool.

d. ) Door regtftreekfche aanklagte'bij de genen ,

die het opzigt over de fchool hebben. Alles bij opklimming en geëvenredigd aan de misdaad.

29. De Onderwijzer beijvert zich, om het gevoel van eer en fchande, in de harten zijner fcholieren op te wekken, en, dien overeenkomftig, deelt hij flxafferi en belooningen uit , zonder tot onmiddellijke ligchamelfjke ftrafien over te gaan, dan in zeer enkele gevallen, bij zwaar misdrijf, en niet dan na alle andere ftraffen te hebben beproefd, zullende hij, in allen gevalle , van dusdanige ftratfen en den aard va*i het misdrijf aanteekening houden, en bij het eerstvolgend fehoolbezoek, van het een en ander kennis geven aan den Schoolopziener of de plaatfelijke Schoolcommishe.

30. De Onderwijzers zullen, ingevolge de- dis. politie van Zijne Excellentie, den Minister var. •Binnenlandfche Zaken, van den 25, Sept. 1806,

H a N\