is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden, voor den jare ..., 1853 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schoolniemvs.

605

De reden was dus voor de meisjes het gunstigst op 15 Januarij in Noordholland en Overijssel, op 15 Julij in Noordbrabant en Noordholland; het ongunstigst op beide tijdstippen in Zeeland en Gelderland. De reden was in alle Provinciën, vooral in Zeeland en Noordbrabant, gunstiger op 15 Julij.

Het gemiddelde getal leerlingen op elke Lagere school bedroeg voor het Kijk op 15 Januarij 121, op 15 Julij 99. Dit getal was op 15 Januarij het grootst voor: Overijssel 159, Zuidholland 143, het kleinst voor: Drenthe 100, Friesland 101 en Limburg 104; op 15 Julij het grootst voor: Zuidholland 126, Overijssel 124, Noordholland 117, het kleinst voor Drenthe 63, Limburg en Gelderland 74.

Het onderwijzend personeel bedroeg op alle Lagere scholen van het Rijk 6492, waaronder 5902 van het mannelijke en 590 van het vrouwelijke geslacht. De eersten waren ingedeeld in: 3004 hoofdonderwijzers, waarvan 42 van den eersten, 1878 van den tweeden, 851 van den derden, 174 van den vierden en 59 zonder rang; 2192 ondermeesters, waaronder 1 van den eersten, 548 van den tweeden, 1091 van den derden, 417 van den vierden en 135 zonder rang; en 706 kweekelingen; de laatste in: 260 hoofdonderwijzeressen en 330 secondanten.

Het onderwijzend personeel stond tot de leerlingen op

alle Lagere scholen op 15 Januarij als 1 tot 61, op 15

Julij als 1 tot 50. Op 15 Januarij was de reden het

gunstigst voor Utrecht en Noordholland, het ongunstigst

voor Overijssel en Drenthe; op 15 Julij het gunstigst voor

Zeeland en Gelderland, het ongunstigst, voor Groningen

en Overijssel. Voor de Openbare scholen was de reden