Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZONDERLINGE BRUIDEGOM

MEVR. v. BR. Daar heb je *t al! (op Hetty toegaand, wederom met iets van een tragédienne). Arm kind!

HETTY (geprikkeld). God, ma, *t is heelemaal zoo erg niet!

MEVR. v. BR. (verontwaardigd). Wat zeg je? (*t Over 'n anderen boeg gooiend, bewonderend). Uitstekend, kind, hoor! Hou jij je maar flink! Tegenover hem! Maar ik weet, wat er in je omgaat!

HETTY (in 'n bui van verzet) Dat weet ik nog zoo niet!

v. BR. (hoe durft hij?) Nee, dat zeg ik ook!

MEVR. v. BR. Wat?

v. BR. Nee, wat weten wij eigenlijk wat er bij die kinderen wat er bij de jongelui omgaat?!

MEVR. v. BR. (op 'r qui-vive, met een laatste hoop).

Luuc (herstelt zich) U heeft met 'r gesproken, meneer.

Wat heeft u haar gezegd?

RIJNSTEE (niet begrijpend). U kunt gerust zijn, mevrouw. Ik ga dadelijk!

MEVR. v. BR. (verontwaardigd, tot Ella). Zie je wel? — (fier). Juist, meneer, dat is 't eenige wat u te doen heeft — le gaan!

v. BR. (weer met 'n ongewonen durf). Dat weet ik nog zoo niet! MEVR. v. BR. Wat zeg je?

v. BR. (ong ewoon loskomend). Nee! Waar bemoeien we ons eigenlijk mee? Hij is 'n vrij mensch en Hetty is vrij en juist doordat ze allebei vrij zijn en vrij tegenover elkaar staan, krijgen we hier 'n harmonie, 'n prettig samengaan, dat

MEVR. v. BR. (hem bestraffend in de rede vallend). Hugo!

v. BR. (in groeiend verzet). Wat, Hugo? Hugo heeft toch ook een meening, al wordt daar niet naar gevraagd? Wat doen we met al die geforceerde huwelijken!

(Ober vertoont zich 'n oogenblik zeer duidelijk in den fond. De toon van het gesprek, dat hij aanhoort, doet hem zich dan echter weer bescheiden terugtrekken.)

HETTY (haar vader bijvallend). Ja, mama, dat zeg ik u

Sluiten