Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANGST

van zijn gehoor, dat hongerde naar geluid. De uren volgden elkander op in doffe verveling en het leek den dwaler dat reeds maanden en jaren lang zijn wankel bestaan voortduurde, terwijl, trots alle uitputting, slechts één begeerte hem staande hield: het verlangen naar het oogenblik, waarop de hand van den dood hem ging worgen en hij zijn zeis dooide lucht zou hooren aansuizen, die het leven in hem kwam afkappen! Eindelijk meende hij een trilling te hooren in de stilte. Zijn ooren niet alleen, maar ook zijn neus, mond, handen, voeten, haren en zijn geheele huid spanden zich in tot luisteren. Bijna zonder ruisching was de morgenwind opgestoken en luchtig voelde hij een koelte langs zijn gezicht strijken. Spoedig leek het hem of de duisternis zich eveneens ontploos.Met het spannen van al zijn spieren, poogde hij een geluid op te vangen van het wezen vóór hem en iets te bezien van zijn gestalte. Hij dacht het geklepper te hooren van een geraamte en tegelijk scheen het hem toe of in de schemering, welke nauwelijks van het donker te onderscheiden was, zich een verschijning van botten en ribben afteekende. Hij vernam het geklikklak van houterige vingers en een fluitend gesuis boven zijn hoofd, dat het zwaaien verried van een stalen voorwerp. Door een langzame samenpersing van een hand aan zijn keel, namen zijn ideeën onvolledige vormen aan en gleden in onbegrijpelijke beelden op elkander over. Van zijn been kroop een koude lijn omhoog, welke eerst zijn geheele lichaam versteende en het daarna met een lauwe warmte doortintelde, welke droomgezichten in hem deden oprijzen die verdoovend zijn verwarde hersens streelden Half bewusteloos besefte de zwerver, dat nu eindelijk het oogenblik van verlossing gekomen was!

Dien ochtend vond de jachtopziener van een landgoed uit het noorden een stervenden landlooper. Een van zijn voeten was ingevroren en met zijn linkervuist hield hij een tak omklemd. Toen de koddebeier zichT over den man heen boog, zag hij, dat deze door de koude bevangen was. Koortsachtig rolden zijn oogen heen en weer, telkens bleven zij even rusten op zijn vingers en zijn voet. De opzichter zag zijn lippen

Sluiten