Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK DER DICHTKUNST

En Marsman hoor ik: „De stad slaapt

in de schaduw uwer hangende tuinen, wakende nacht

en storeloos bestroomt uw vuren bloei het harde water van de gracht."

Ik geloof dat een jeugdig dichter moeilijk aan deze invloeden kan ontkomen. Want Gijsen en Marsman zijn beiden persoonlijkheden, die een gedeelte van het moderne leven verwoord hebben voor hun generatie en lateren. Men geraakt dus heel licht in hun voetspoor. Waarmee ik echter geenszins wil beweren dat Willem ten Berge louter en alleen een epigoon zou zijn, integendeel — zooals ik reeds in den aanvang schreef: er springen in dezen bundel enkele gedichten naar voren, die in het hart gegrift blijven en die in hun bijna-prozaïsche directheid ten Berge's zuiver dichterschap aantoonen. Ten bewijze:

DE KAMER

Un poëte blasé.

Dit is mijn lot,

dat ik met hongerende handen,

binnen vier wanden,

leven

en sterven zal — Seizoenen

trekken langs mijn raam in grijze en lichte dagen —

ik lees een boek,

ik schrijf een vers,

en word dan uitgedragen.

Mona Dahmen—Scholte.

A. W. Sijthoff's Uitgevers Mij., Leiden, publiceert een boekje gedichten („Verzen") van Mevr. Mona Dahmen— Scholte. Het is alleen maar spijtig dat de critiek met iets dergelijks wordt opgescheept.

Sluiten