Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZONDERLINGE BRUIDEGOM

wend: neen, er is geen toeval, meneer, er is geen toeval!) heb ik m'n hart weer voor 'm uitgestort. Hij is 'n edel mensch, meneer, 'n hoogstaand mensch! En hij zei me, ik moest ü eens raadplegen. Hij ging juist naar u toe, hij ging u trouwen.

v. BR. Wat zegt u?

DRILLEMA. Ja! (hem weer eens goed opnemend). Op uw leeftijd, dat is niet vroeg!

v. BR. O, maar dan moet u Dr. Rijnstee hebben! DRILLEMA. Ja, wie anders?

v. BR. Ik ben z n.... (zich herstellend). Mijn naam is van Brandelen.

DRILLEMA (zich herinnerend). O, z'n schoonvader?

v. BR. Dat is te zeggen....

DRILLEMA. O, is u 'n andere van Brandelen?

v. BR. (snel). Nee, ik ben dien u bedoelt of liever dien u eigenlijk niet bedoelt.

DRILLEMA (zich weer zenuwachtig makend). Heel aangenaam, meneer, maar wat heb ik daar aan? Ik moet den zenuw-specialiteit hebben, Dr. Rijnstee!

v. BR. 't Spijt me wel! Die. ... is er nog niet.

DRILLEMA. O, nog altijd op de huwelijksreis?

v. BR. Dat is te zeggen

DRILLEMA ( h oogenblik woest wordend). Ja, is hij op de reis of niet op de reis?

v. BR. (voorzichtig achter 'n stoel gaand). Ja, meneer, hij reist, hij reist!

DRILLEMA (weer kalmer). Ach, wat is dat vreeselijk! En ik, die 'm zoo noodig heb! Ik ben heel hulpbehoevend, meneer, (bedroefd) van geest. Ja, ik maak 'n heel verstandigen indruk, niet waar, maar dat is maar schijn. Ik kan 't niet helpen, ze plagen me zoo, ze plagen me zoo! Dat maakt me kapot, zóó kapot (huilt bijna). En als ik nu den professor nog ontmoeten kon! Hij steunt me altijd zoo, hij geeft me zoo'n zelfvertrouwen. „De vrije wil!" (grijpt naar z'n hoofd).

v. BR. (grijpt eveneens naar z'n hoofd, mompelend). De vrije wil! — (na 'n oogenblik, op anderen toon). Maar,

Sluiten