Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GYMNASIUM

niet aangaat; hij is verlegen en staat zichzelf in den weg; hij wou, dat de wandeling maar gedaan was.

Maar 's avonds op zijn „kast" vraagt hij de juffrouw de krant van gister. Daar vindt hij het: „Moord en zelfmoord". Hij leest het; driemaal leest hij het over, en de juffrouw kijkt, terwijl ze het theeblad klaarzet, wantrouwig naar „meneer"; hij ziet zeker in de krant iets, dat hem vreeselijk schokt; zuchtend legt hij de krant neer en hij schudt bedenkelijk het hoofd.

Als de juffrouw weg is, steekt Willem de krant in zijn binnenzak; ook Zondag thuis zal hij 't bericht opslaan en als Ma of Tante of Em hem vragen: „Wat heb je daar, Willem, waar je zoo ontdaan van kijkt?," zal hij gewichtig de krant samenvouwen en afwerend zeggen: „O, niets!"

Maar de kermis raakt gedaan en het eind-examen dreigt. Als Willem weer nuchter aan de mondelinge Latijnsche thema zit, en hij den Rector doet sissen en vloeken vanwege de bokken, die hij om den haverklap schiet, valt zijn oog op de spreuk, door een angstig vertegenwoordiger van een vorige lichting in de bank gesneden:

A^os omnes manei mors et examen.

Van den eersten dag af, waarop hij in de zesde klas op zijn nieuwe bank zit, heeft deze sombere bedreiging hem getroffen. De zesde klas is reeds geen gewone klas meer. Er hangt een atmosfeer van plechtigheid en grootsche vooruitzichten. De leeraren spreken anders; ze zijn toeschietelijker, maar ook strenger. Het is, of het naderend eindexamen ook hen in beslag houdt. Er is een band gekomen tusschen leeraars en jongens; tezamen voelen ze zich bedreigd door de professoren-commissie, die straks het gymnasium komt richten.

Mos jeu is bij 't eerste proefwerk, dat hij opgeeft, wanhopig. Hij houdt, als hij 't lokaal binnenkomt, de gecorrigeerde proeven tusschen duim en vinger op een afstand voor zich uit, en roept, terwijl hij een vies gezicht trekt: „Geef mij de tang, jong', om deze smerigheid aan te pakken."

Sluiten