Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BEDROGENE

heerschen — of zij nog lang in onze stad vertoeven zou en in het hotel bleef wonen.

— Natuurlijk, glimlachte zij, wij moeten elkaer toch nog beter leeren kennen?

Zij noodigde mij — volgens opdracht van haren man, voegde zij er nadrukkelijk aan toe — voor dien avond uit, en nam toen eensklaps afscheid. Ik bracht haar naar den auto, dien ik nog niet bemerkt had, en waar, zooals ik min of meer tot mijne ergernis bespeurde, naast den chauffeur de koetsier van den vorigen avond zat. Ik hoorde nog hoe zij een ander adres opgaf dan het hotel, snelde naar den juwelierswinkel terug, kocht den diadeem en betaalde tegelijk voor een huurauto, zoodat het geschenk haar bij hare terugkomst in het hotel reeds wachten zou. Eene onrust, die mijne gedachten benevelde en alleen gedeeltelijk door een waanzinnig verlangen onnatuurlijk verhelderde, maakte mij alle werk dien dag onmogelijk en deed mij de uren tot de wederontmoeting dien avond eindeloos schijnen. Zij droeg den diadeem niet, wijdde ook geen woord hieraan. Eerst later vernam ik, dat zij hem aan hare kamenier geschonken had, daar deze spoedig in het huwelijk treden zou en de opbrengst van het sieraad beschouwen kon als eene tegemoetkoming in de aankoopen voor haren huwelijksuitzet.

(Wordt vervolgd.)

Sluiten