Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 iets over den afgescheiden staat der ziel,

ichrijven, dat zij in verftandelijke vermogens meerder zijn dan hunne voorzaten, maar omdat zij de rockende toorts, hunner rede aan het geheiligd altaar der Openbaring, welke zij voorgeven te verachten, ohtltoken hebben.

Nogtans, terwijl de uiterftc pogingen der menfchelijkc rede te kort fchoten, om ten opzigte van ecnen foekomftigen ftaat tot voldoende zekerheid te geraken is deszalfs beftaan, in alle eeuwen der wereld, bij het volk in het gemeen geloofd geworden. Er is naauweiijks eene natie te vinden, hoe onkundig en woest ook, welke niet, voor het grootfte gedeelte, aan het afgeleheiden beftaan der ziel gelooft. Heeft het gezond verftand bij het laag gemeen de waarheid gevonden, terwijl de geleerdheid en redekunde der grootfte Wijsgeeren het fpoor bijsier gingen? In fommige voorbeelden moge dit plaats gehad hebben; maar het is moejelük te begrijpen, hoe het verftand van eenen Zuidzee-eilander zou hebben kunnen bepalen , hetgeen socrat.es en cicero in twijfel lieten. Veel waarfchijnlijker is het, dat de bron van dat gevoelen, even gelijk dat der offeranden, te zoeken zij in de oorfpronkelijke Openbaring, uit welke deze dierbare brokftukken, door gemeene overlevering en gewoonte, bijna- algemeen bewaard gebleven zijn.

,, Maar," zegt men, ,, wij vinden in de Eoeken ,, van mozes geene uitdrukkelijke melding van eenen

„ toekomenden ftaat." Wij vinden daarin ook

geen berigt van de oorfpronkelijke infteüing der offeranden;^ en echter hadden deze reeds plaats, in de vroegfte tijden der wereld. En de ftelling, dat een toekomende ftaat niet altijd geloofd is geworden, gaat met onoverkomelijke zwarigheden verzeld. De eene moeten derhalve van god geboden, en de ander van Hem geopenbaard zijn geweest.

Hoeonverftaanbaar zou geheel het gedrag en de godvruchtige taal der Aartsvaderen en Profeten zijn , indien zij aan geenen toekomenden ftaat geloofd hadden l Sommigen, echter, van hun verbasterd nakroost, ten tijde van Christus, verwierpen die leer. Doch de geichiedenis berigt ons, dat ze betrekkelijk maar weinige waren, vergeleken met het gros-der Joodfche Natie; en dat zij meestal rijke, wellustige, en goddelooze meniehen waren. Zij zochten den Heere jezus te verftrik-

ken,

Sluiten