Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4 IETS OVER DEN AFGESCHEIDEN STAAT DER ZIEL»

meestal, zoo ik geloove, buiten (laat, om zich eenJgfe werkzaamheid van hunnen geest, gedurende den ftilltani hunner ligchamelijke vermogens, te herinneren. Maar bet is alleen onkunde of ligtzinnigheid, welke uit zulke voorbeelden eenig bewijs, tegen her beftaan der ziel na den dood, zou willen ontkenen. Wat mensch, in de genees- of ontleedkunde ervaren, zou pogingen aanwenden, om eenen dien hij wist volftrekt dood te zijn, in het leven te herftellen? Over dat punt heen gekomen, kan er geen herftel tot liet fterfelijic leven plaats hebben, dan door een wonderwerk; en aan deze zijde van dat punt, kan de ziel, in zulk eenen ftaat, door hare vcreeniging met het ligchaam al te zeer onderdrukt worden, om hetzelfde vermogen van herinnering te hebben, 'twelk zij gewoonlijk heeft na eenen natuurlijken flaap.

Men zou kunnen tegenwerpen, dat de menfchen, dia door den Zaligmaker uit den ftaat van waren dood in het leven herfteld waren, niets gefproken fchijnen te hebben van den ftaat, waarin zij zich, gedurende de fcheiding van hunne ziel en ligchaam, hadden bevonden. Doch men kan daarop antwoorden: Het was de wil van Christus niet, dat zij dit zouden doen (*).

„ Maar," zal mogelijk iemand zeggen, „ lukas'ïs .,, de eenige Evangehefchrijver, die deze bewijzen voor ,, eenen afgefcheiden ftaat', zonder opzigt tot de op-

uanuing uca ngcuaams, gepoeKi neett; en mi was

geen Apostel, noch tegenwoordig bij de redevoerin3, gen van den Zaligmaker: en daarom hebben fommi„ gen getwijfeld aan zijne Goddelijke ingeving." Dan tegen zijne Goddelijke ingeving kan niets, met eenigen pond, ingebragt worden, en nog minder tegen de echtljeid, van zijn verhaal. Bovendien, wordt die leer geitaafd en opgehelderd door eenen fchrijver, wiens Goddelijke ingeving door niemand , wien het om waarheid te doen is, \n twijfel getrokken zal worden. De Apostel paulvs grondt op deze gewigtige waarheid zijn vertrouwen, te midden van verdrukking en gevaar. Wij hebben dan altijd goeden moed ze!jt hij, en weten da» ^ inwonende in het ligchaam, uitwonen van dm Ihe.

rt;

(*) Luk. XVI: a7-zu

I

Sluiten