Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ï5 AANMERKINGEN CMlfkENT

dén bevat; zij lïaa't tevens óp het godsdicnftig, ïtaaf* kundig en burgerlijk bellaar. Terwijl dè overige volken aan de wetten gehoorzamen , die. zij weten van menfcLn te hebben ontvangen , kan deze niet werkt», *t en zij men geloovc, aan god gehoorzaam of ongehoorzaam te zijn. De Wet der joden mengt zich onder al hunne daden; zijVdoet üitfprnak over allen. Geen Jood, die haar volgt, kan een ligchaamsgebaar maken, h welk zij niet gebiedt of verbiedt , »t welk zij niet goedkeurt of berispt. Mozes, die dit onbeftendig en ligtzinnig volk kende , fcheen hetzelve een zoo bijzonder karakter, zoo uitfluitende gewoonten 'te hebben willen inprenten, dat het zich met geen ander volk konde vermengen, en het de zoodanigen moest verdelgen, wier buit hij hun had beloofd. Al aanftonds plaatüe hij het op zichzelve, door het aan te kondigen, dat het het volk was, 't welk god bad uitverkoren ; daardoor boezemde hij hetzelve een vertrouwen in, en eene verachting van andere menfchen, die, in *t vervolg, om. zijne onderneming gelukkig te doen flagen,. niet weinig toebragten. ,, Ce joden " zegt tacitus,

onder het geleide van mozes, verdreven de bewo-

ners uit een bebouwd fntfdj 't welk zij aantroffen, „ en bouwden aldaar hunnen tempel en hunne ftad. ,, Mozes , om zich van hunne getrouwheid te verze-

keren, gaf hun eenen godsdienst, ftrijdig met dien ,, van alle volken. Onder elkander handhaven zij eene „ onfebendbare trouw en eene altijd vaardige goedwil-

ligheid; doch omtrent alle andere volken' bezitten ,, zij niets dan haat en vijandelijkheid." Dikmaals verboden mozes en josua den Israëlieten alle gemeenfchap met de vreemde'lingen , en dreigden hun met den toorn des hemels, indien zij dit gebod overtraden. Elders beveelt hij hun, het leven te fparen aan niemand der bewonere.n der plaatfen, welke zij zouden veroveren. Esdras, na de Babylonifche gevangenis, te Je~ ruzalem veie Joden vindende, die vreemde vrouwen getrouwd hadden, noodzaakte hen, van dezelve te ïcheidert.

Intusfcben leest men Exod. XXII: ai- Gz7 zult den vreemdeling geenen overlast aandoen, noch hem on* oerdrukken: want gij -zjjt vreemdeling geweest in Egyoteïdand* Doch dit bevel fclüjnt vooral tea oogmérke gehad te hebben, hun de herbergzaamheid aan ■ - ' ' ' te

Sluiten