Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets over het stelen. 33

ïn de hand, in de magt van hem , die dezelve ten uitvoer brengt , maar de omftandigheden hangen niet van hem af, hij kan de gevolgen niet berekenen, hoe kan men dan iemand of de grootheid zijner misdaad beoor.ieelen naar iets, dat niet in zijne magt was? Verraadt zulks niet de grootfte dwaasheid, onkunde, en gebrek aan verftaiki, of liever een verQand, dat naar een aangenomen ftelfel misvormd is?

Nog iets ter opheldering! Dezelfde god, die

allen menfchen gebood: Gij zult niet /Men/ gebood

ons ook: Gij zult niet doodgaan! - Wanneer ik

nu iemand vermoord, hij zij rijk of arm, is dan mijne misdaad niet hetzelfde? is zij geene fnoode fchending van de algemeene wet van den god der liefde, die al zijne menfchen bemint, zoo wel den verachten bedelaar als den koning op zijnen troon ? Ben ik ftrafwaardiger bij god, als ik eenen rijken van het leven beroof, dan dat ik,: juist" 0m dezelfde reden, eenen armen het leven beneem, of ook omgekeerd ? Neen zeker niet!! -—- Zelfs bij de menfchen geldt die wet : Wie des menfchen bloed vergiet, zijn bloed zal door de menfchen vergoten worden. Hier heeft geen verfchil van ftaat, rijkdom of armoede plaats. Zoo is het ook gelegen met den diéfftal, als diefftal op zichzelve. De wet is algemeen. Geen mensch make hier dan eenige

uitzondering. Eindelijk. De zedepligten zijn

eeuwig onveranderlijk; zij kunnen geene verandering,

ten opzigte der pligten, welke ook, ondergaan. ;

Daad, als daad, blijft altijd dezelfde. Oogmerken, omftandigheden, gevolgen maken de daad zelve niet uitzij zijn Hechts bijkomende zaken, omtrent welke wij niet behoorlijk kunnen oordeelen.

De zedepligten zijn alle, ten opzigte cler uitoefening, oezeircie, dat is: ik moet dezelve, omtrent iedereen, op dezelfde wij2e uitoefenen, het zij hij rijk, het zij hij arm is. De groote les van p?zus christus: Hebt uwen naasten, alle menfchen, hef, als u eigsn zeiven ' Al wat gij wilt dat u de menfchen zullen doen, doet gij hun desgelijks! houdt eeuwig hare kracht en heeft betrekking op al de zedepligten. -— Laat mij dit wat verder uitbreiden: Eert uwen vadei en uwe "moeder! dus beveelt god, en mag ik nier verfchil maken, of zij arm ef rijk zijn? moet ik hun meer liefde en genegenheid toedragen, wanneer zij arm, of wanneer zij

meno. 1807, «o. u C rjjk

Sluiten