Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5° over. het voortreffelijke

ontwakende natuur verteederde mii; ik gevoelde mijn atuiwezeu, zoa gelukkig, zoo grootsch —— en de vader Van, het heelal fcheen in 't fuizen van deze plegtige ftilte mij zijne liefde te verkondigen. Mijne twee vrietf». deiij die, finds eenige dagen, in mijne eenvoudige woning, al de genoegens van het buisfelijk leven vertrouwelijk met mij deelden, waren, even als ik, in de eerfte fchemering ontwaakt, de aandoenlijke fchoonheid' des morgens bekoorde hen, zij „oodigdeu elkander tot eene wandeling, en troffen al ras mij, wien zij poogden op te zoeken, hier op deze bevallige fchouwplaafs aan. i\a eene vriendelijke morgengroet, zetteden zij zien nevens mij. Wij aanfehouwden, wij genoten, en wij dankten met vol gedroomde harten. De zon gloeide reeds, gelijk eene vurige fchijf, boven de kimmen, en op eenmaal droomde haar gouden glans, van alle zijden, door den dampkring, en de donkerfte wolken met rozenkleur dat zich tot glodjend purper" v^ rhoog! de, getooid, fchenen nu de zegepraal des blijden daas te vieren. De over de aarde zwevende dampen die beemd en velden, gedurende den nacht, hadden gedrenkt, klommen , gelijk een rook, door het licht ver" zilverd, tot nieuwe wolken naar de hoogere lucht en de met bloefems en bloemen verfterde aarde dauwde de liefeiijkfte geuren, als hare opftijgende morgenoffers m het rond. Diep getroffen, door de heiligde aandoeningen, roemden wij den Eeuwigen, die zijne pnbevatbare volmaaktheid, zoo heerlijk, in de natuur doet opmerken; en, geheel tot eenen Godsdienfligen ernst ge. itemd, vingen wij het volgend.? gefprek aan.

Adelhart, de oudfte, de eerwaardigfte van mijne twee vrienden, drukte mii, vol ftille ontroering: de hand. b'

Wat kan fchooner zijn, dus fprak hij, dan het aanbreken van den dag? Zoo wij dit nimmer gezien hadden, Welk eene verdommende bewondering zoude ons, alsdan, niet aan onszelven ontvoeren, wij zouden eene ?leu,-' fchepping wanen te zien, en voorzeker in het bidden Ucht de" AlmaStiSen Schepper zei ven, aan-

i k.

Het fchijnt mij daarom ook vrij natuurlijk, dat volken,

Sluiten