Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den christel ij ken godsdienst» 55

Tnn trap tot trap, tot bet hoogde geluk, op te klimSn. Te wenichen, dat de onbefchaafde volken ni hunne onkunde blijven voortleven, ^f"^^ meer wreedheid, dan of^wenschte , dat z« tot het gedacht der beesten behoorden, want bunnonkunde is het affchuweüjk kenmerk der verbastering van, hunne natuur, der verbastering van het rein zedelijk_ gevoel, dat tot het menfchelijk wezen behoort. Had het menfchelijk gellacbt nimmer zijne voortreffelijkheid verloren, had het nimmer zijne vrijheid misbruikt, had het zime onfchuld bewaard, en door het volgen der eenvoudige natuurwetten, in fpijt van begeerten en driften cle ware deugd blijven beoefenen, dan, ja dan, mijne Vrienden! was de zuivere Godskennis onder ons uitgebreid geworden, en de Goddelijke jezus had ons niet uit den afgrond der ellenden, waarin wij nedergeftort waren, behoeven te verlosfen; dan hadden wij god ontdekt in zijne werken, geheel de aarde was ons een paradijs geweest, en de zuiverde genietingen hadden ons, bij eiken voetftap, te gemoet gedroomd. Maar was dit nu aldus gelteld voor de geboorte van tezus? of is dit zoo, bij de, in afgelegene werelddre-

ken, ontdekte volken? Neen geheel het tegendeel

had, en heeft immers plaats? Het gevoel van regt en onregt was vervalscht, begeerten en driften hadden gevoel en verlland overweldigd; de dem der natuur werd niet meer gehoord, de kennis aan dent..waren god was verfmoord onder de laagfte z.nnelykbe.d;d- Godh^i werd op de gedrochtelijldte wijze,.onder zinnelijke beelden voorsefteld, en nog veel aflchuwelijker werd de volmaaktheid van het Opperwezen, in de verhitte verbeeldingen misvormd: hoe vele altaren rookten niet van menfehenoffers! hoe vaak werd de natuur niet verkracht, wanneer Ouders, door hunne dierbaarde panden, de, vertoornde Goden wilden bevredigen, en hunne weerlooze kinderen, die vruchteloos om ontferming fchreiden aan de verterende vlam ter prooije gaven! En wat. waren' deze opofferingen anders dan de bewijzen hunner wanhoop'aan de gunst en liefde der Goden! Donker, verfchnkkelijk donker , waren hunne uitzigten in de toekomst; nergens was gewisfe troost, zel's de wankelende hoop der verftarrdigften., der edelften onder hun, misten den glans der waarheid, en ridderden aan den rand der onbekende eeuwigheid. Dit was het algemeeD 4 ne

Sluiten