Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAM CAREL BORROMEUS. 77;

kloosters ging het mede affchuwelijk toe. Men h'ep vrij uit en in, en bekreunde zich aan regelen noch wetten. Het voorbeeld der Leeraars befmettede het ganfche volk; de groote hoop geloofde niet meer dat het zonde was, hetgeen hunne Leeraars, bij helderen dag, ongeftraft bedreven. De heiligften onder het volk, waren zij, die alle jaren nog eenmaal ter biegt gingen; •de meesten deden het geheel niet; er waren zelfs die zich kwanswijze ter biegt begaven, en zich aanftelden als waren zij verflagen in het hart, maar als de Priester zich met hen wilde inlaten, wel hartig begonden te lagchen. Doorgaans wisten de oucifte lieden onder den gemeenen hoop niet zoo veel van den Godsdienst als

anders een kind van zeven jaren. Dit alles, in zij.

ne bijzonderheden dagelijks voor oogen te hebben, drukte den geest van onzen Aartsbisfchop bijna geheel ter neder; doch hij gaf den moed niet ganfchelijk op; hij geloofde verpligt te zijn, gods zaak te handhaven, en bad om krachten, geëvenredigd aan zijnen last.

Voor alle dingen nam hij het vast belluit, zijnen ze. tel niet wederom, gelijk voorheen, te verlaten, dan in de dringeodfte noodzakelijkheid, en alsdan zoo kort als mogelijk was. Ja hij was bereid het purper af te leggen, indien het hem in zijn ambt eenigzins hinderlijk zoude zijn. Tevens befloot hij, geenerlei moeite of arbeid te ontzien, het gemak en der traagheid eenen eeuwigen krijg aan te kondigen, en zelfs zijn leven te wagen , wanneer zijn ambt zulks van hem vorderde.

Het tweede dat hij deed, was, dat hij van alle andere Prebenden, die hij te voren bezat, en welke in twaalf vpordeelige Abdijen beftonden, afftand deed, en eene heerlijkheid, die hij van zijnen broeder geërfd hadde verkocht en het geld onder de armen uitdeelde; heN zeilde gefchiedde met zijn zilverwerk, hetwelk deels te renetten ^ verkocht, en deels aan de Domkerk vereerd werd. Lene andere heerlijkheid, en het ganfche vaderlijk erfgoed, gaf hij zijnen bloedverwanten over, tegen eene jaarlijkfche rente.' Dus behield bij niets, dan het Aartsbisdom, en een jaargeld van den Koning van Spanje, waardoor zijn jaarlijksch inkomen, hetwelk omtrent tachtig. 0f honderd duizend dukaten beïoopen hadde, tot op twintig duizend verminderd werd; en ook dit zou hij gaarne hebben weggefchonken, indien iiij het niet tot zijne huishouding, en tot andere, met

zij-

Sluiten