Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONTBRANDING VAN HET BUSKRUID, TE LEIJDSN.

/ich, met welk eene verrukkende teederbeid berkent hier het ouderiijk hart de zwakke ftem van het 1'chreijend kind, dat met puin bedekt, nog vrij adem haait. Welk eenen Gorideliiken wellust fmaken de gelukkigen, wier behouden kroost ben in de, van blijdfchap bevende, armen fnelt. Gewis, meer zaligheid kan het menfcheujk weien niet bevatten. Kinderen worden als uit den .sood weder gegeven aan troostelooze ouders, san ouders, die op eenmaal van vertwijfelende wanhoop in ftroomen van hemelsgenot worden overgebragt. Maarzoo gelukkig waart gij niet, gij bitterlijk bedroefden ! wier angstvol oog te vergeefs, onder de geredde kinderen , uwe dierbare telgen zocht, zoo gelukkig waart gij niet, die, na zoo veel moeite en gevaren , de jeugdige lievelingen, door Heen of balken, ztasx verpletterd. Als geknakte rozenknoppen lagen daar de jonge ontzielden; het gudfend bloed verwde de blonde lokjes , en het uitgedoofd levensvuur febeen in de fprekende trekjes nog te glimmen. Sprakeloos door fmart, breidde de weenende vader de armen uit naar her geliefde lijk, waaraan de magtelooze blikken der bezwijkende moeder gehecht bleven. Ach, hoe dierbaar is niet het overfchot van eenen geliefden geltorvenen, voorliet gevoelvol hart; dat overfchot, toch, fchenkt nog de laatfte voldoening aan onze zinnelijkheid, en roept nog eenmaal al de beelden van verlorene genoegens terug. Geen wonder dan, dat het troosteloos gelchrei de gedurig meer donker wordende lucht vervult. De half vermorfekle gade befproeit het puin van hare woning, waaronder de geliefde van haar hart begraven is, met bloed en tranen. De getrouwe huwelijksvriend overwint allen tegenftand, om zijne verpletterde vriendin van onder den bouwval, hoe zwaar ook, ten voorfchijn te brengen. De zwakke moeder ruimt, meteigene handen, hout en Heen weg, de teederfte drift zet haar krachten bij, zij ontdekt ontzielden en ftervenden , doch haar kind, haar geliefd kind, dat zij, met zoo veel fmart, eenmaal baarde, met zoo veel ontfermende liefde zoogde, dat zij, met zoo veel teedere zorg, opvoedde, haar geliefd kind vindt zij niet. Met gewrengene handen fchreit zij den hemel aan, terwijl de medelijdende menfehenvriend haar van het bloedig puin, naar een meer veilig verblijf heen voert. En gij, achtenswaardige vriend! gij, die de getrouwe gezellin uws

Sluiten