Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN GOTTINGEN NAAR DE HARTZ. 32J

ven in wild en kooivogeïs; met zeer veel bekwaamheids weten zij deze te kweken, vooral den goudvink. Men hoort bij hen deze vogeis twee deuntjes zeer duidelijk fluiten, en op bevel dezelve herhalen; in de naburige Heden kunnen zij vier of vijf pistolen voor deze vogels maken. Terwijl zij zich vermaken, verfchalfen zij zich dus doende tevens een aanmerkelijk voordeel.

De zaturdag is derhalve een kostelijke dag; Ën wie' zoude niet blijde zijn, wekelijks een vrolijken dag te hebben? Nog herinneren wij ons, wat, in onze jeugd, voor ons de zondag was. Op de Ilartz is het volmaakt eveneens gefteld, en niet voor kinderen alleen. Want deze gelukkige begaafdheid van te genieten is niet aan de jaren verknocht, maar aan dén gezonden Haat der zintuigen, in een woord, aan de eenvoudige natuur. De Bergbewoner blijft in deze ópzigten zijn geheele leven jong. Zijn fmaak verandert zekerlijk met de jaren; maar de kring zijner genietingen wordt daarom niet wijder. Nooit verftompt hij zijnen fmaak voor de gewone vermaken^ door het inmengfel van door kunst verzonnenen. Met dezelfde gretigheid keert hij derhalve telkens tot dezelfde vermaken weder , tot dat de verdooving van een diepen flaap hem bevange; en ook in die verdooving is hij gelukkig.

Iets meer zelts dan de Bergbewoner is de Mijnwen Xer; dit ftelt hem misfchien fciiadeloos voor de nadeelen van een gedeelte van zijn leven; hij is'eert welbém Jluurd Bergbewoner, Wanneer ik mijne gedachten laat pan over onderfcheidene klasfen van menfchen, wier leven eene aanhoudende ondergeichikthèid is, en aldaar een geluk opmerk, 't welk ik in het onafhankelijk leven niet vefneem, bevangt mij een derk vermoeden, dat die oorfpronkelijke onafhankelijkheid, welke men , m de redekavelingen over de Staatkundige vrijheid, dikmaals tot gronddag neemt, niet de ware maatfrok is, volgens welken het algemeen geluk moet worden, afgemeten. Van nature bemint de mensch de Regel, maat; dit verneemt men overal. Nooit is hij ongeruster, dan wanneer hij voor ziehzelven moet beflisfen, nooit beter in zijnen fchik, dan wanneer hij weet wat hij eiken dag, bijkans ieder oogenblik, dóen moet,; Het leven zelfs van den foldaat, den man, die aart het menschdom met treurigheid dbet gedenken, is er"eert

m*wc. 1807, no. 7. x

Sluiten