Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

DROOMER

In zijn jonge leven was dat toen ook een waarheid. Voor hem was alles goed. Hij had zijne kamer, klein heiligdom, vol reproducties van schilderijen, vol kleine voorwerpen waaraan hij gehecht was, en waartusschen hij droomde, als zijn schoolwerk af was, 's winters 's avonds in den groenigen schemer van zijn bureaulamp, 's zomers voor de open ramen, uitziend over den tuin.

Hij had zijne boeken, zijne verzen....

Hij had gepeinsd over al de groote problemen in welker beschouwing een wat dwepend aangelegde jongen van achttien, negentien jaar zich verdiept: over God, leven en dood, kunst, liefde —-

God bestond, en had hem lief.

Dood was een overgaan in volgend, rijker leven.

Kunst was het blijde leven der Goddelijke vlam in ons, die we ziel noemen, dat tot uiting kwam.

Liefde was de herkenning van twee zielen.

Die dingen waren toen klaar en duidelijk voor hem, hij nam ze aan en twijfelde niet.

Hij had zich dit geloof zoo zelf opgebouwd.

Maar hij was niet alleen een droomer. Natuurlijke levensvreugde en gezond optimisme, misschien een gevolg van zijn blij geloof, hadden hem daarvoor behoed.

"s Zomers speelde hij tennis, roeide, zwom.

's Winters ging hij uit. Hij danste, in dansclub en op bals, had dinee'tjes en andere pretjes. Hij was dan vroolijk; zijne behoefte aan gezelligheid, aan het geven en weder ontvangen van sympathie, werd bevredigd.

Had hij het zich alleen verbeeld, of was er werkelijk een band, een onuitgesproken gevoel van saamhoorigheid, tusschen hen allen geweest, de jongens en meisjes, met wie hij danste, tenniste, roeide, de kleine wereld van zijne blijde jeugd?

Voor hem, in ieder opzicht, waren het gelukkige, zorgelooze jaren. In zijn optimisme zag hij alles als overtogen door een gouden glans, zag hij alleen het goede en mooie; de donkere zijde van de wereld bleef voor zijn oogen nog verborgen.

Sluiten