Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

DROOMER

„Quand je mourrai, que 1'on me mette,

Avant de clouer mon cercueil,

Uu peu de rouge a la pommette,

Un peu de noir au bord de 1'oeil." Op een avond zag hij Thaïs, en hij verlangde te worden als Nicias van wien Thaïs getuigt: „11 n'a jamais aimé personne" — ,,11 n'aime que 1'amour!" Benijdenswaardig onkwetsbaar leek hem dat.

Hij werd een zekere nieuwsgierigheid naar het leven gewaar.

Eens was hij verdiept geraakt in Baudelaire's „Fleurs du Mal". O, hij herinnerde zich nog de dwaze opwinding van dien avond, toen al de zonden der wereld hem voorgediend schenen te worden als begeerlijke vruchten, die hij zou willen proeven, één voor één.

Hij had zich toen een man gevoeld.

Wat een jongen was hij geweest, lezend zonder koel oordeel, bedwelmd door meesleepend-melodieuze taal.

Zijne natuur van droomer had hij echter nooit geheel verzaakt. Hij blééf meest toeschouwer, nooit werd hij, geheel en al, medespeler in het leven. Wel was hij geweest naar een „Bal Tabarin", en had er geluisterd naar het sterk aangedikt levensrelaas van een der Cocottes, walgend van haar cynisme en tegelijk het toch benijdend; hij danste er ook eens, maar op het besissend moment had hij zich toch weer teruggetrokken. Iets weerhield hem altijd voor een daad van laagheid.

Kennissen had hij weinig. Een vriend van kantoor, die zelf een vriendin had, bracht hem eens in kennis met een meisje. Hij was op een Zondagmiddag met haar naar het „Bois" gegaan, had met haar in het gras gelegen, haar gezoend. Een innige teederheid voor het elegante, fijne poppetje was in hem wakker geworden. Toen hij, dien avond, van dienzelfden vriend hoorde, hoe ze vroeger al een rijken ouden man had toebehoord, had hem dat toch pijn gedaan.

Daarmede was zijne liaison al weer geëindigd, voor ze nog werkelijk een aanvang had genomen. Zij had hem nog

Sluiten