Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DROOMER

2!^

Vroeger had hij het probleem van zijne jonge liefde niet durven analyseeren, het misschien ook niet kunnen doen. Nu, man geworden, durfde hij wel, en hierin wijzer toch dan toen, als kind, begreep hij nu ook de onwaarheid hunner verhouding.

Dien Octoberdag had hij zich niet los kunnen maken uit de bekoring, die het herfstbosch om hem scheen te weven. Hij was blijven eten in het „Chalet des Hes", op het terrasje, aan het water. Ver van de drukke stad was het zoo vredig geweest, als een koestering die verteederde en tot bezinnen bracht. Weinig menschen waren om hem; weinig geluiden: alleen enkele stemmen, het zachte kabbelen van water, als een roeibootje voorbij voer. En alle kleuren en tinten waren teeder vaag.

Een rosse gloed, van ondergaande zon, overtoog de hoornen op den anderen oever. Schemering kwam, als gazen webben, aanzweven over het water, en in den diepen sterrenhemel klom de maanschijf, honingkleurig, op.

Als in vreemden droom bevangen, was hij teruggekeerd naar zijn kamer.

Na dien dag scheen de ijzige koude van zijn hart voor goed ontdooid.

Het was of er aldoor iets op hem had staan wachten, dat vroeg om binnen gelaten te worden, in zijne ziel; een vlam, die kwam om te verwarmen, om te koesteren, die licht zou geven en weten.

Hij was verbaasd en bedroefd toen hij zag hoe lang hij haar buiten gesloten had, en toen hij hare koestering voelde, herkende hij die, van vroeger.

En hij was gaan opbouwen wat, verstikt onder onkruid, als ruïne, scheen ineengestort. .. .

Het was nu Februari. Winter nog wel, maar in de lucht toch al iets als een voorvoelen van naderende lente. Dat was soms in een lauwer geur die aanwoei, in teederheid van zon, in middaguur, als hij, even vrij, om te lunchen, den tuin der Tuilerieën doorliep.

Hij had dezen winter geleefd in blijde stemming.

Sluiten