Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VLUCHT

29

dat ze 't nu zóó druk had, dat ze geen tijd kon vinden den brief te lezen; dat ze hem wel moést laten liggen.

Ze las het adres: „Mejuffrouw E. Valck, Markt 18,

Stad."

Bovenaan in den hoek stond met roode drukletters: „Gemeente Ziekenhuis".

Ze hoorde 't zich eenige keeren hardop lezen: „Ge-meente Zie-ken-huis....

Ja, nu moest ze hem openmaken. Haar vingers trilden. Gelukkig, dat ze juist alleen was!

Niemand zou zien, hóe ze 't bericht opnam — hoe 't ook uitviel — goed of slecht.

Slecht....? — Ze talmde nog. Ze had nu tenminste nog de hoop, dat het goed zou kunnen zijn.

Maar toen wilde ze 't weten.... 't was immers tóch beslist. O, hoe zou ze den spot van haar huisgenooten verdragen, — de verwaten opmerkingen van haar broers, 't meelijdende lachje van haar moeder, — als 't „nee" was. Dat er dan barmhartigheid zou zijn en ze op slag dood mocht gaan of ernstig ziek worden. Dan zouden ze wel stil zijn en medelijden hebben. .. .

Ze was op een lagen stoel bij den haard gaan zitten en zij had, bijna buiten haar wil om, het couvert opengemaakt, den brief uitgevouwen en gelezen... . van 't begin af, letter voor letter spellende — om niet te gauw het beslissende woord te moeten zien. Ze hield haar oogen bijna tegen bij het lezen, maar — daar kwam het — daar stond het — „de eer u mede te deelen, dat u als leerling-verpleegster bent aangenomen."

„Aan-ge-no-men," las ze nog eens en nog eens: „Aangenomen. ..."

't Golfde in haar op. 't Bloed vloog haar naar 't hoofd. Voor haar oogen werd het rood en toen donker. Haar ooren suisden. Ze tuimelde terug in haar fauteuil.

Ze was als verdoofd, 't Was te veel, te véél geluk opeens! Ze kon het niet aan; het maakte haar klein, deemoedig, het stemde haar vroom.

„Heb dank, o God!" Als vanzelf rees het naar haar

Sluiten