Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

DE ROMAN VAN EEN SCHILDER

„Mijn beste Leo!" zeide zij tenslotte. „Ik ben het! Ik — Maria Fransen! Voor mij hoef je den zedenmeester niet te spelen. Wij kennen elkaar voldoende, om te weten, wat we waard zijn. Jij komt hier om geld en ik om liefde. Wie van ons beiden moest er zich vuriger schamen?"

Met krampachtige vingers trok Leo een pluk gras uit den grond, dien hij over de tennisbaan wierp. De droge aardkorrels stoven naar alle kanten uiteen en leken kleine zwarte knikkers, zooals zij voorthuppelden over de witte, lichtspiegelende vlakte. De knaap volgde met zijn blikken het dartele spel, dan antwoordde hij bedaard:

„Moest dat een hatelijkheid verbeelden? Het spreekt immers vanzelf, dat ik de hand niet terugstoot, die mij zoo liefderijk wordt aangeboden. Van Baerle kent mij beter dan iemand anders, hij verwacht alles van mijn artistieke talenten en wil mij in staat stellen om te werken. Daar ben ik hem dankbaar voor, zoo edelmoedig zijn er niet velen."

Maria barstte uit in een parelenden lach.

„En zoo naïef zijn er ook maar weinigen," schertste zij vroolijk. „Dacht je nu heusch, mijn beste jongen, dat onze beroemde schilder zich om muzikale composities bekommerde, waarvan hij voorloopig niets merkt en waarschijnlijk nooit iets merken zal? Het komt mij voor, dat zijn motieven minder vaag en nevelachtig zijn. Hij wordt oud, de arme kerel, hij voelt zich eenzaam en heeft behoefte aan genegenheid, vriendschap, liefde. Dat alles zoekt hij bij jou — en bij mij. Het eenige verschil tusschen ons beiden is, dat ik voor mijn diensten niet word betaald en jij wel!"

Leo werd bleek van drift, een grimmige lach verwrong zijn gezicht. Dan trachtte hij zijn duizelende gedachten te verzamelen; met een waardige beweging haalde hij zijn zakdoek te voorschijn en wischte zich het voorhoofd af. Maar ondanks zijn uiterlijke zelfbeheersching vermocht hij den twijfel, die opnieuw zijn binnenste omwoelde, niet te stuiten. Hij herinnerde zich de hartelijke toespraak van den schilder en het trotsche bewustzijn, dat hem in den afgeloopen nacht bezielde. Was dan alles een leugen geweest? Kon het zijn, dat de heele toelage niet meer dan

Sluiten