Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK DER LETTEREN

109

hij vervolgt: „Hoe zouden er anders heiligen kunnen zijn, die toch ook, toen zij klein waren, schreeuwden als zij honger hadden en speelden in de modder van de straat en misschien dingen deden die niemand dan de engelen weet. Maar zij hadden één plekje, dat wit was gebleven en toen daar de gouden stralen op vielen ging van den een tot den anderen dag de slechtheid van hen weg, de drift, de ergernis, de neiging om te stelen of te vloeken. En als zij dan geheel blank waren geworden, konden zij de wonderlijke daden doen, zoodat de andere heiligen het zagen en er van spraken voor den troon, waar de Gezegende zit. en dan zond hij er een met de lieve boodschap, dat er weder een in de zaligheid mocht komen. Ik zeg dit niet omdat ik het beter meen te weten dan de vaders, maar omdat ik zelf gezien heb hoe het met de menschen gaat."

Angiolino heeft vrienden, bedelaars als hij, arm maar uitbundig bij eenig fortuin, want ook bedelaars valt wel eens geluk te beurt. Van die vrienden geeft hij een fijne psychologie. Van Buonavontura zegt hij: „Maar Buonavontura begrijpt zeker meer, omdat hij de armste is. Dat is het witte plekje van den arme, dat hij meer begrijpt dan een ander. Hij weet dat de heer, die langs loopt en doet of hij de uitgestrekte hand niet ziet, niet meer of minder is dan hij zelf." Over de houding der voorbijgangers, stug of medelijdend, fantaseert Angiolino en altijd is zijn oordeel raak. Wie altijd verwacht, wie hoopt op geluk, wie tegenslag kent, wordt wijs en deze zelfgewonnen wijsheid helpt heen door veel tegenspoed. In de broederschap der bedelaren staat men altijd elkander bij. Wie een slechten dag had, krijgt in den avond brood van een ander wien de fortuin meer toelachte. Zoo verliest hij niet den moed.

„In het innerlijk van de armoede is het begin van den rijkdom, zooals in de zwartste zondigheid een begin moet zijn van heilig leven," zegt Angiolino en dit mystiek voelen houdt hem in evenwicht, de armoede is zijn grootste schat. Hij gelooft aan ingevingen. Soms is het hem of hij stemmen hoort. Vaak bidt hij tot zijn Heilige, San Giuseppo. Eens vindt hij een touw, dat wel vijf stuiver waard is wegens kwaliteit en lengte, maar Angiolino philosofeert er over of hij die vijf stuiver den volgenden dag wel noodig zal hebben en laat het touw liggen. „Ik weet het niet zeker, maar ik denk, dat ik zedeloos was, San Giuseppo wees mijn voorspraak, want hoe kan men weten of het beter is te luisteren naar het verstand dan naar een ingeving. Ik liep voort en vergat gauw de schaamte, er waren nog veel meer sterren en toen ik over de brug ging, rook ik een geur van bloemen in den nacht. Het was of ik iemand hoorde zeggen: „Angiolino, alles vergaat, touw, stuivers, zede en alles, maar als het schit-

Sluiten