Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DE LIEFDE.

139

levensdriften bij onze naasten in het dierenrijk, hetzelfde caracter dragen als bij ons. Honden, katten, paarden, koeien etc. eten, drinken, slapen en minnen op een manier, die wezenlijk geheel met de onze overeenstemt. Het vermoeden dringt zich dus op, dat de, aan die handelingen beantwoordende, sentimenten ook in hoofdzaak gelijk zijn aan de onze. Het bord waarvan misgaders de vork waarmede wij eten, het bed, waarin wij slapen en de schrijfkunst, welke wij aanwenden tot het vervaardigen van billets doux, zijn voortbrengselen van het menschelijk verstand; eten, slapen en paren doen evenwel de viervoeters evengoed. Zouden dan honger, vermoeidheid en liefde in het brein dezer dieren anders verschijnen dan in het onze? Het lijkt er niet naar. Afgezien van de complicaties, welke het verstand in al onze levensuitingen teweeg brengt, kan ons gevoelsleven redelijkerwijze niet innerlijk-verschillend van dat der andere zoogdieren geacht worden.

Dit gegeven, slaan wij nu eens de liefde gade bij de dieren, bijv. gemakshalve bij de viervoetige huisgenooten, welke velen onzer er op na houden. Een dergelijke beschouwing is de eenige manier, om de liefde objectief te zien, dat wil zeggen, buiten onszelf en onze evennaasten. Dus is zij hoogst leerzaam. Elk dierenvriend kent het «spelen» van reu en teef, alsook de uitingen van krolschheid bij de kat. De laatste is van de voor waarneming-door-iedereen gemakkelijk toegankelijke diersoorten bijzonder interessant, omdat katers en katten zeer hartstochtelijk van aard zijn, tenminste relatief, want de mensch maakt het nog veel erger. De hond daarentegen lijkt betrekkelijk koel in de liefde; reu noch teef gaan zich in eenzaamheid ooit te buiten aan liefdesklachten en wulpsche gebaren als katers en katten. Deze laatsten kennen bepaald den fatalen lijfsdrang, welks uiting-bij-den-mensch door naturalisten genre Heijermans en Alie Smeding in kleuren en geuren geschilderd werd. Hoogst interessant is het, dezen feilen hartstocht aan het werk te zien bij wezens, die lichamelijk ongelijk aan ons zijn en daarom zelfs geen schaduw van zinnelijke bekoring op ons kunnen uitoefenen, wat de ge-

Sluiten