Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

226

DROOM

En dan opeens hoor ik weer roepen.

Duidelijk en met nadruk, alsof iemand mij zoekt.

Ik doe de oogen open en ga rechtop zitten in het gras. Voor de derde maal wordt mijn naam geroepen. Nu dichterbij. Met een sprong ben ik overeind en snel den tuin door, voorzichtig de takken der oude vruchtboomen ontwijkende, die in grillige verwaarloozing over het tuinpad zijn gegroeid.

Bij den heuvel schuifelt een egel weg, bang voor het geluid mijner voetstappen.

Achter den heuvel ligt het huis.

Een laag, wit huis met een groot dak van stroo. De muren van het huis zijn zoo laag, dat het mij lijkt als schuilen zij weg voor den avond. De boomen om het huis staan als sombere silhouetten tegen de lucht. De avond komt over het dorp. De zwaluwen tsjilpen om de boerenhoeven tusschen het koren.

De lamp is al aan. Het lamplicht schijnt door de open vensters naar buiten en werpt spookachtige schaduwen over den tuin.

Bij het witte geitje op het grasveld staat mijn zusje.

„Heb je geslapen?" vraagt ze.

Ik knik met het hoofd: „ja, ik sliep achter den heuvel."

„Dat dacht ik wel," zegt ze. „Ik heb je lang gezocht en dacht, dat je in slaap gevallen was. Daarom riep ik je. Het is warm en benauwd; willen we de geit vannacht buiten laten? Ik zal het aan vader vragen."

Stil loopen we verder. Mijn zusje houdt mijn hand vast.

,,'t Zal niet koud worden," zegt ze. Even kijken we om naar het witte geitje, dat schimmige sprongen danst tegen het donkere grasveld.

Er klinken voetstappen om het huis. Een donkere gedaante gaat vlak langs de kleine muren en staat dan opeens, duidelijk, in het lamplicht, dat door de vensters valt.

Het is mijn vader.

Hij sluit de luiken voor de ramen van het huis.

Sluiten