Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

232

DROOM

Ik stijg langs de witte muren en langs de glanzende pannen van het blauwe dak. In de goot ligt de kaatsbal, dien mijn zusje verloren heeft. De verf is er heelemaal afgegaan. De takken der linden werpen hun bewegende schaduwen over het dak. Nu kom ik ook boven de boomen uit.

Ik vlieg!

Ik vlieg over het huis.

Het geitje staat op het grasveld. De meid bij de pomp laat van verbazing den emmer uit haar handen vallen en loopt gillende het huis in. De knecht in den moestuin spert zijn mond open van schrik. Ik zie nu over den heelen tuin heen. Buurman tuurt over de heg en roept zijn vrouw om ook eens te zien.

Snel vlieg ik door.

Achter den heuvel zie ik een roode plek bij het korenveld. Het is mijn zusje. Zij heeft een bouquet korenbloemen in de hand. In haar roode jurkje lijkt ze net een klaproos tusschen het graan. Met de hand als een roeper voor den mond schreeuw ik haar toe: „Ik vlieg! Ik vlieg!"

Ze kijkt op, de hand boven de oogen; dan blijft ze onbeweeglijk staan. Haar gezichtje is angstig en haar oogen zijn groot. Klein en bedroefd staat ze daar en staart mij aan....

Nu ben ik boven het bosch.

Ik ben héél hoog. Alles wordt kleiner; de dorpstoren ook. Een wolk gaat onder mij door; nog een.... en nog een. Ik ben verdwaald tusschen de wolken. Ik word bang. Huiverend herinner ik mij het verhaal van den jongen met de groote blanke vleugels. Angst overvalt mij. Het wordt donker. Ik geef een gil, want ik voel, dat ik vallen ga. Ik grijp naar het krukje. ... het is er niet meer. In doodsangst strek ik de armen uit.... Ik val. ... Help! Help! Ik val!

Dwars door de donkere wolken, door de schitterende ruimte van het Heelal, dat voor mij opengaat als een bodemloos gat.... in een duizelingwekkende wisseling van licht en duister: „Licht! Duister! Licht! Duister!" als worstelde ik om mijn as gelijk een planeet. In de verte nadert het vreemde

Sluiten