Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MODERNE OUDERDOM

307

evenzoo over en de beide oudjes vinden eendrachtig, dat het toch wat te zeggen is. Maar zij zeggen niets en hebben niets te zeggen. Zij zijn de levende lijken, de hopeloos achtergeraakten, de schimmen van eertijdsche toestanden. En zij zijn lang niet antipathiek. De jongere voelt een vaag medelijden met hen en daarom hebben zij het nog zoo kwaad niet. Niemand stoot hen, omdat zij niemand aanstoot geven. Met hen redekavelt men natuurlijk niet.

En nu ligt hier voor mijn neus een boekje, waarin een oudere redekavelt over de jeugd. Sterker: het boekje is mij ter recensie gegeven; ik moet dus met dien oudere gaan redekavelen. Want het beoordeel en van een oordeel over de jeugd komt neêr op redekavelen over de jeugd. Erger nog: uit het boekje blijkt, dat de schrijver thuishoort in de categorie oude-heeren-met-jeugdigeneigingen. Laat ik er dadelijk aan toevoegen, dat hij een tamelijk gunstige variant van zijn soort lijkt, maar dat neemt niet weg, dat het soort beroerd is. Het werkje heeft ook ongetwijfeld zijn verdiensten: er staan rake opmerkingen in, goede observaties, leuke gevolgtrekkingen. Vooral is het ook een aardige bijdrage tot de psychologie van den ouder wordenden heer, die jong wil blijven. Dit laatste is misschien de grootste verdienste; de grootste deugd er van is de strekking: een pleidooi vóór de jeugd bij den ouderdom. Want voor den ouderdom is het geschreven. Nu, dat een oudere het bij zijns gelijken opneemt voor hun natuurlijke antipode, de jeugd, is zeldzaam en bepaald sympathiek. Eerlijkheidshalve mogen wij deze goede bedoeling niet uit het oog verliezen, ook dan niet, als de schrijver de plank hopeloos misslaat en der jeugd zoodoende gruwelijk onrecht doet. .

De brochure — meer is het niet — voert tot ondertitel »Na-oorlogsche bespiegelingen van een vóór-oorlogsch mam, telt 81 bladzijden en behandelt een probleem, waarover reeds een bibliotheekje volgeschreven is, zonder dat het een stap nader tot de oplossing kwam. Zulks zoowel vanwege de veelomvattendheid van het onderwerp als de foute probleemstelling. De zaak zit nm. zoo: de bijzondere eigenschappen van de moderne of na-oorlogsche jeugd — de schrijver gebruikt beide termen door elkander — berusten niet in een buitenissigen aanleg van die jeugd, maar in de eigenaardige tijdsomstandigheden. Waarbij, natuurlijk, «eigenaardig» slechts wil zeggen: anders dan voorheen. De schijn van een bijzondere jeugd ontstaat slechts in de oogen van hen, die, opgevoed onder andere omstandigheden, den onuitwischbaren afdruk van dier stempel in hun taaie zielen dragen, dat wil zeggen: de ouderen van dagen. De moderne jeugd is jeugd zooals elke jeugd dat was en zijn zal; gelijk elke jeugd weerspiegelt zij den tijdgeest zui-

Sluiten