Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MODERNE OUDERDOM

315

in bescherming te nemen en zonder zelf in bescherming genomen te worden onder «vleugelen»! Er zijn, helaas, wel van die jongeren, die heul zoeken bij en heulen met de mannen van gisteren, maar ook dezen zijn niet normatief. Zoomin als de dansmaniakken, die geen heul zoeken, omdat zij nergens heil zien. Meer of vooralsnog, dat laten wij nu daar.

Het beste, levende deel der jonkheid, de dragers der toekomst, bindt den strijd tegen den «onzaligen geest dezer eeuw» op eigen gelegenheid aan en zelfs in Nederland oogsten zij hier en daar reeds een begin van succès. Ook hierover straks meer.

Nu volgt een hoofdstuk over «Emancipatie van Jong en Oud«. Het laatste hoort wel niet bij de jeugd, maar wordt er blijkbaar bijgenomen ten genoege van eigen leeftijdgenooten. De tweede zin van dit hoofdstuk luidt:

»De cultuurgeschiedenis immers is emancipatiegeschiedenis».

Zou het waar wezen? Valt bijv. de volksverhuizing te begrijpen als «emancipatie-geschiedenis»? Of de kruistochten? Om bij het eerste voorbeeld te blijven: wie werden er bij den val van het Romeinsche Rijk geëmancipeerd? Niet de coloni; die werden dadelijk hoorigen onder de Germanen. En men zoeke het niet in de beperkende bepaling «ca/faargeschiedenis», want juist de volksverhuizing heeft den stoot gegeven tot een geheel nieuwe cultuur, de onze. Neen, met zulke simplismen als de aangehaalde stelling geraakt men niet tot historisch begrip.

Dan komt de heer Cannegieter tot de conclusie, dat de «autonomie der persoonlijkheid» onzen tijd kenmerkt en hij voegt er even later aan toe:

»De mensch als getal, als één van velen, als model en monster zonder waarde, beteekent niets. Slechts als oorspronkelijke schepping heeft hij recht van Bestaan.« hetgeen volkomen juist is en een vonnis inhoudt over de democratie, die immers juist enkel den mensch als één uit velen of monster zonder waarde beschouwt. Maar hier, gelijk men ziet, op den drempel van een heilzame opvatting, verzuimt de heer Cannegieter te wijzen op het onafscheidelijk correlaat, onontbeerlijk om de autonomie der persoonlijkheid te verwezenlijken: de levende gemeenschapsgedachte, belichaamd in organische ordening van staat en maatschappij.

Rassen, classen, vrouw en kind hebben zich geëmancipeerd, stelt de heer Cannegieter vast en daarna legt hij, voor het eerst, een klaren blik op de feiten aan den dag in de volgende passage, waarmede hij zichzelf overtreft:

»Echter kan de verstandigste zich op het wezen der

Sluiten