Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AFSPRAAK

door

J. C. SONNEBORN

Tegen een bovenhuis-deur in de Haarlemmerstraat leunde Kobus Bronsen, bleek jongetje van een jaar of twaalf. Hij had pas aangescheld. Het was half zeven, een ochtend in 't laatst van den zomer. Het asfalt was nat van 's nachts gezijpelden regen. Er waasde nog nevel tusschen de huizen; maar boven de daken blonken hier en daar reeds vergulde reclame-létters. En hoog aan den blauwen hemel juichte de jonge dag.

De deur bleef dicht. Het was druilerig stil. Kobus' flauwe, licht blauwe oogen werden hoe langer hoe kleiner en weldra was hij tegen den deurpost gegleden en ingedommeld.

Uit een zijstraat kwamen fabrieksmeiden met luid gepraat en gelach, hand aan hand naast elkander dansend in Maandag-schoone jakken en schorten. Zij zetten een lied in. Een paar mooie, vaste stemmen klonken uit boven het meedoen van de overigen. Alleen bij het refrein, dat allen goed kenden, werd wat ruw uitgehaald. En één, die vlak langs Kobus kwam, gilde hem het slotwoord toe. Hij werd rillend wakker

Sluiten