Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AFSPRAAK

wat afleiding. Maar dat was niets bijzónders, vond Kobus.

— Nou ja, zei Pim, — je moet rekenen, 't is ook een dórp! Ga maar mee, ik weet wel wat. Je zal zien.

— Wat dan? vroeg Kobus, die er niet veel verwachting van had.

— Het kerkhof! Wat mooi hoor! Allemaal bloemen en groote steenen met namen en versjes 'r op.

Het was vredig stil op de kleine begraafplaats. Een weeïg zoete geur steeg uit den beschaduwden grond. Kobus, week-deemoedig in een gevoel van veiligheid, werd dommelig-rustig te moede. Hij las de grafschriften en bedacht welke woorden op uitgesleten plaatsen gestaan konden hebben.

— Waarom beitelen ze onder zoo'n doodshoofd altijd een paar beenen schuin over mekaar? vroeg Pim.

— Beenderen moet je zeggen, zei Kobus zacht. — Ja,

dat weet ik ook niet Zeker om te laten zien, wat er

later van je overblijft,

— En al de rest dan: je handen en je voeten en je heele ruggestreng? Bij ons hebben ze in de hoogste klas een groote plaat aan de muur met een geraamte, dat noemen ze Magere Hein,

— Hè, hou je toch stil! Je moet hier veel eerbiediger praten,

— Nou zèg, kan ik 't helpen! Ik zit nog niet eens in de hoogste.

— Ik denk dat ze 't alleen maar zoo maken om je 'r aan te herinneren; anders dénken de menschen er niet genoeg aan, zie je Denk jij dikwijls aan doodgaan?

— Ajakkes! Ik nooit. Waarvóór?

— Ik soms wel 's. Want dat geraamte, zie je, daar moet je je nies van aantrekken, dat is maar je stoffelijk overschot. Maar je ziel, die gaat naar den hemel; daar is het prachtig, kleuren en zoo, zie je, en heel mooie muziek.... Als je tenminste niet zondig bent geweest.

— Pa zegt, dat zijn allemaal maar klespraatjes.

Dat kwam zoo barsch en onverhoeds, dat Kobus er beduusd van was. — Zie je, aarzelde hij eindelijk, — juf-

Sluiten