Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AFSPRAAK

Maar van hetgeen wat God hem geeft, Dat is hetgeen

waarvan hij leeft.

— Da's waar, dacht Kobus. — Daar denken die menschen zeker altijd aan en dan zijn ze heerlijk tevreden. Dat is uitstékend, zoo iets boven je deur te hebben. Hij werd verliefd op een vredig leventje, „buiten", met wat zoete godsdienstigheid, hem thuis weinig geleerd, maar die hem zoo bekoord had in sommige boekjes en in het liefstille gezin van zijn oom en tante te Voorburg.

Een eindje verder was weer een bespiegelend versje. Hij las het hardop. Een jonge vrouw, die vlak bij de heg boonen plukte, keek hem door een opening vriendelijk, toch een beetje spottend, aan. Het bracht hem heel even uit zijn stemming, maar weldra liep hij weer vol gedroom. Zich vasthoudend aan den afgekerfden holterand van een wilg, hurkte hij neer aan den slootkant. In en op het water wemelde het van insecten: schaatsenrijders die voortrenden over het oppervlak, heel even stil stonden en dan weer vooruit maaiden; draaitorretjes, als dol steeds maar rondtollend en spiralend; diep-groene kevers, die nu en dan öptipten uit het water; zilveren stekeltjes en donkergrijze bullekopjes. Boven de sloot geel-geceintuurde zweefvliegen, die op één plaats hangen bleven, en glanzende staalblauwe libellen.

Hij morrelde met een wilgetwijg in het vette, slobberige

kroos en werd ledig van alle gedachte Plotseling

hoorde hij, vlak boven zijn hoofd: — Zoo Kobussie, ouwe jongen! Van schrik viel hij bijna in de sloot en hij was op 't punt, weer korzelig te worden. Maar Pim, die vergenoegd in de takken zat, lachte hem met van pret glimmende oogen zóó glunder toe, dat Kobus ook wel moest lachen.

— Wat zit je daar leuk! zei hij hartelijk.

— Ik zat op je te wachten, antwoordde Pim en hij kwam vlug naar beneden. Heel even keken zij elkaar wat aarzelend, met een flauw glimlachje aan. Maar over de ruzie werd niet meer gesproken en weldra zaten zij broederlijk de proviand van Kobus op te eten.

Sluiten