Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AFSPRAAK

schoof zijn beenen onder de leuning door. — Wie is dat? vroeg hij toen.

— Da's Kobus, mijn neefje.

— Ik heet Jacobus Bronsen, zei deze, een beetje minachtend-deftig, terwijl hij rechtop ging zitten.

— O, zei Grasse droog, en verder niets. Hij keek hen beurtelings landerig aan en scheen niet aan weggaan te denken.

— Zullen we nu doorloopen, Pim, naar Kalfjeslaan? stelde Kobus voor; hij drukte op het laatste woord, om Grasse af te schrikken met den afstand.

— Wat doe jij, Hein?

— Och, ik zal maar meeloopen.

Nog uren lang dat gezelschap te verduren, op de stille buitenwegen, daar zag Kobus zwaar tegen op. Hij had wel graag flink-uit gezegd: „Ga jij maar 'n andere kant!" maar voelde zich niet opgewassen tegen die onbewogen, zwijgzame vreemdsoortigheid, die hem aldoor maar met schelvischoogen bleef aanzien. Hij keek voor de leus op zijn horloge en zei: — 't Is toch eigenlijk te laat geworden; laten we maar door het park gaan.

Slenterend liepen zij in de richting naar de stad, de kleine Pim in het midden; er werd haast geen woord gesproken. Bij de muziektent draafde Pim vooruit en ging op en over de banken springen die daar tusschen de boomen stonden. En tot Kobus' verbluffing maakte Grasse een hoogstand op een bank en liep op zijn handen van het eene eind naar 't andere, waar hij achterover op den grond wipte met al het gemak van een kermisklant.

— Laten we 's om 't verst springen, stelde hij voor. — Wie het driemaal wint krijgt van allebei de anderen twee centen. Of hebben jullie niks?

Die vraag noopte Kobus, 't goed te vinden. Tot zijn schade, want Grasse sprong wonderbaarlijk. Twee heeren bleven staan kijken: Da's een baas hoor!

— Op school noemen ze 'm de vliegende mercuur! zei Pim trotsch. — Betaal jij maar zoolang, Kobus. Hein Grasse zei niets en nam geen notitie van de bewondering.

Sluiten