Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AFSPRAAK

een anderen kant er af wilden trekken, terwijl zij hen beiden in de bruir/e krullen te grazen had.

— O, wij zijn doodbedaard! — Hou je nog maar een beetje kalm, maatje, ik heb 'r zóó! Mamma, pak Henk 's in zijn lurven! juichten ze door elkander. Al dra lagen er stoelen omver en renden zij den tuin uit en in, lagen de eene minuut aan den overkant van den rijweg in het gras te rollen en zaten de volgende op de veranda der bovenverdieping van het café. Moeders gezag scheen gering, maar toen de jongens baldadig werden en met kiezelsteentjes naar de koeien gooiden, was zij in eens streng gebiedend en riep alle drie bij zich. Toen gingen zij spelen met een grooten bal, die bij baby in den wagen had gelegen.

Intusschen waren Pim en Hein terug gekomen.

— Wat hebben die 'n lol, zei de laatste nurksch.

De uitbundige vroolijkheid van die andere kinderen scheen hen neer te drukken. Zij keken jaloersch naar het balspel en voelden pijnlijk den wrevel, die tusschen hen stekelde.

— Mamme, Joop en Henk willen nog melk hebben en ik ook! riep het kleine meisje. Zij stond in de volle zon en boog met één hand haar hoedrand neer om haar moeder te kunnen zien; met de andere hield zij den bal op haar schouder, tegen haar beschaduwd hoofdje. Haar jurk was een witte vlam.

— Ga dan maar bestellen!

— Ik had ook nog wel trek, zei Hein. — Hebben jullie centen?

— Ikke niet! zei Pim.

— En jij? vroeg Hein, Kobus aanloerend.

— Waarvoor?

— Dan kunnen we nog een glas nemen.

— Wel nee, dat heb ik niet, hoor!

— Maar voor dit toch zeker wel? Als je maar begrijpt dat ik niet heb.

— Je hoeft ook alleen maar voor jou te betalen.

— Heb ik óók niet. Betaal jij maar.

— Als 'k mal was! Ik heb nies met jou te maken.

Sluiten