Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORPRET IS OOK WAT

merdeur, waar mevrouw's stem ongeduldig antwoordt. Teuntje komt terug en verzoekt ons plechtig even plaats te nemen in het kleine kamertje. In het kleine kamertje is het echter donker. Teuntje schuift met stoelen, mompelt iets van lucifers, Met een: „wacht! ik zal es even kijken", legt ze weer het eind voordeur-kamerdeur af, tot daar blijkbaar haar niet al te snellen, maar wel bereidvaardigen gang gestuit wordt door mevrouw Stoof: „Toe Teuntje, alsjeblieft! Ik zit op je te wachten!"

„Ja mevrouw, derék! Maar de dames zitten in het donker. Even het licht opsteken in het kleine kamertje!" Teun is alweer op weg naar ons toe, mét lucifers. Ze klimt op een stoel, strijkt met een lucifer langs het doosje, maar hij gaat niet aan. Een tweede geeft al evenmin het verwachte resultaat,

„Hè, ze benne nat! Hier! daar gaat ie dan toch!"

Ploefü het licht op met een slag, waar we beiden werkelijk van schrikken.

,,'t Komp omdat ie in zoolang niet gebrand heeft,"

Meteen wordt er boven ons hoofd hard gestampt (het is ongetwijfeld Palief): „Zeg, wat is dat voor lawaai hier beneden! Dat kan ik niet hebben, begrepen?"

„Teuntje," fluister ik dringend, „zeg maar aan mevrouw dat het acht uur is. We moéten weg!"

Teuntje raakt bijna de kluts kwijt door de lucifers, die niet willen, het onverdiende standje en door de nu bijna huilend-dringende bede van Malief om toch gauw te komen.

„Wat zou er met haar zijn? Zou ze in het bad zitten en er niet uit kunnen?" waagt Jo te veronderstellen.

„Gék!!" betitel ik Jo vriendelijk. Maar we proesten samen om het idee, zién Teun in gedachte al aan 't hijschen.... „Ze zal wel wéér nattigheid voelen...."

Buiten laat de torenklok acht slagen over de stad dreunen. In huis heerscht doodsche stilte. Bij de openstaande deur van het kamertje kuch ik maar eens hard, op straffe van weer gedreigd te worden met kwaadaardig gestamp boven ons hoofd of daaraan volgende maatregelen.

„Wat dóen we, zeg?"

Sluiten