Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK DER LETTEREN

Het is m.i. zonder meer duidelijk, dat een verhaal van nature geschied is en niet, a.h.w. voor de oogen van den lezer, geschieden kan. Het feit zelf, dat het heele verhaal, van het begin tot het einde, in druk vast ligt, bewijst immers, dat het geschied is! Al haalt men er, gelijk de Heer van Bruggen doet, radio, gramophoon, sprekende film of andere machinerie ter vergelijking bij: de nuchtere daadzaak blijft bestaan, dat het verhaal, als opeenvolging van woorden, vast ligt, zoodat de daarin vastgelegde handeling dus afgeloopen is, gebeurd is. Dit wascht geen water van de zee af.

Tamelijk naïef vraagt de Heer van Bruggen dan, of zoo een, in den praesens indicativi gesteld, verhaal nog wel een roman is, om er dan aanstonds aan toe te voegen, dat «we» daar het hoofd niet over breken moeten, aangezien een boek »niet steevast« een roman behoeft te zijn. Neen, neen, het kan een handleiding voor billartspel, dienstregeling der spoorwegen, gids voor de Rivièra of wat anders wezen. Maar als het litteratuur, proza en meer dan honderd bladzijden lang is, valt het bepaald onder het begrip «roman», niettegenstaande welke capriolen met de tijden en wijzen der verba ook. En al mag men dan, gelijk de Heer van Bruggen er aan toevoegt, bij het lezen denken aan tooneel, schimmenspel, dans, Hilversum of Eiffeltoren, toch is het vastliggende verhaal geen «wereld in gedurig nieuw onstaan, rechtstreeks of in de voorstelling van haar belevende personen«. Het is niet waar, dat het verhaal een wereld is in gedurig nieuw ontstaan; het bestaat, het staat vast, het is als het ware een neerslag: een — hoofd- of

bij product van een ingewikkeld proces, dat zelf afgeloopen,

voorbij, gedaan is.

Grapjes als het Einsteinianisme, dat soms de trein langs het station, soms het station langs den trein glijdt; beweringen-in-deruimte als zou de romanschrijver leven van Redseligkeit en, al spinnend, bordurend, wevend etc, allerhande vormen van vrouwelijke huisvlijt beoefenen; de mededeeling betreffende beelden, die zich verdringen naar een onvermijdelijk slot; dit alles zijn praatjes voor den vaak, die het door den Heer van Bruggen ingenomen standpunt paraphraseeren en lyrisch bewierooken, maar niet motiveeren.

Dit zijn standpunt is niet origineel, toch tamelijk nieuw (omdat het, terecht, zoo weinig toegepast werd), en over het algemeen fout. Op zeer enkele gevallen kan deze ik-plus-praesens-vorm met vrucht toepasselijk wezen. Doch zeker niet op het geval, dat zijn roman »De Verlaten Man« is.

Dr. ALFRED A. HAIGHTON.

Rijswijk Z.-H, 7/XII, 1928.

Sluiten