Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN TERUGGANG?

Grieksche militairen en Zola Fransche burgers heeft afgebeeld; maar in het verschil, dat er bestaat tusschen de manier, waarop Homerus zijn menschen en Zola de zijne afbeeldt. Want de stukken natuur, die de kunstenaar weergeeft, dat zijn de stukken natuur, naar de wijze, waarop hij ze weergeeft, dat is de kunst.« *) En wat Kloos aangaat, in bijna al zijn critische werken bewijst hij keer op keer, op telkens andere wijze, dat 't motief van een kunstwerk en deszelfs poëtische waarde aparte dingen zijn. Zoo b.v.: «Schoonheid heeft de essentie van ieder vers te wezen, en al spreekt de dichter, in zijn vers, over de gewichtigste en ernstigste, de meest diep-zinnige of meest reëele dingen, dan heeft hij die allen toch door zijn innerlijk bewegen, door het geluid van zijn zingende en ziende ziel, eerst tot schoonheid te maken op straffe van anders geen dichter te zijn, maar alleen een technische verzen-smid.«2) En inderdaad, men moet de beide beschouwingswijzen zeer streng van elkaar onderscheiden. De vaak, bewust of onbewust, gekoesterde meening als zou het motief van een dichter essentiëel zijn voor de schoonheidswaarde van zijn werk, is niet houdbaar. Theoretisch, noch practisch is ze te verdedigen.

Het iswaar.dat groote kunstenaars als Plato,Dante,Shelley, Goethe e.a. in hun onsterfelijke werken dikwijls zeer hooggaande ideeën hebben verkondigd. En toch, gesteld zelfs, dat alle groote kunstenaars diepzinnige ideeën hebben geuit in hun werken, dan nog is de stelling onjuist, dat die ideeën de kunstwaarde van het werk bepalen. Immers de sluitrede: «Kunstenaars verkondigen hooge ideeën, X verkondigt hooge ideeën, dus is X kunstenaar», is onvolkomen, omdat voor het kunstenaarschap nog heel wat meer vereischt is dan alleen maar hooggaande ideeën. Gelijk Kloos het dan ook ergens geschreven heeft, is Goethe in enkele zijner lyrische verzen niet minder ongemeen kunstenaar dan in

*) Lod. v. Deyssel, »Kritieken«, p. 57,

2) W. Kloos, «Letterkundige Inzichten en Vergezichten*, dl. I, p. 123.

Sluiten