Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN TERUGGANG?

den plechtigen nacht breken de verwarde stamelingen uit zijn jongenshart van aanbidding, van verwijt, van verlangen ....« Wat hier verteld wordt, is zooals men ziet, het motief van Breero's Nachtliedje. Doch waarin de essenties van poëtische schoonheid in dit werk schuilen wordt nagenoeg niet aangetoond.

Het is vaak waarlijk interessant — geheel ervan afgezien of hij dat alles uit cultureel gezichtspunt wel juist heeft gedaan — hoe Coster dat alles nagaat: den geest des tijds, en hoe deze werkt op bepaalde personen, vervolgens, hoe het innerlijke leven, de levenshouding, de wereldbeschouwing van die personen alle terug te vinden zijn in hun werken. Doch, dat is niet het object van de literaire critiek, van een beschouwing over essenties van poëtische schoonheid. De vraag toch is niet, wat de dichter bezingt, maar hoe hij dat doet. Een enkel concreet voorbeeld. Van Kloos over Vondels kunst: «Vondels kunst is als een breede en heerlijk-rustig voort-golvende stroom. Het water is altijd klaar, en slechts zelden ons ademloos-houdend, ons binnenste Wezen ontroerend, diep; maar toch weet het ons door een gelijkmatig — doch niet eentonig — voortstuwende vloeiing blijvend te bekoren, zoowel als door de schoonvormige weerspiegelingen, die wij er bij 't overglijden telkens in ontmoeten, van de talrijke schoonheden die boven onze hoofden in de luchten drijven, of die in nietwetend zich-zelf vergeten, zichzelf toelonkend, klaar-kalm staan aan den van uit de verte voorbij ons spoedenden oeverzoom.« x) Ziet, deze typeering is werkelijk een typeering van Vondels kunst. Wij weten daaruit, hoe Vondel gezongen heeft. Coster echter brengt meer de geestelijke elementen naar voren, de motieven der gedichten. Zoo ten aanzien van den derden bloeitijd der Hollandsche poëzie, de jaren na 1880.

De Nieuwe Gids beschouwt hij als een versnelde herhaling van wat reeds lang buiten Nederland op geestelijk gebied heeft plaats gevonden. De Duitsche Romantiek is

*) W. Kloos, »Litt. Inz. en Verg.«, dl. I, p. 169.

Sluiten