Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE NACHTWAKE

kamer uitloopen, hoe ook de angst in haar tot het ondragelijke groeide. En altijd maar bleef de zieke kijken, en Marie, een flauwte nabij, sloeg de oogen neer als een die machteloos het ergste over zich had laten komen. Ofschoon ze nu dat vreeselijke niet meer zag, voelde ze niettemin, dat het er nog was, verwachtte ze elk oogenblik iets verschrikkelijks. De hartslag bonsde in haar keel, ze durfde nauwelijks adem-halen, en de neiging om te vluchten, snel, snel, de kamer uit, werd sterker in haar. Toen, onwillekeurig, sloeg ze haar blik weer op.... Het vreeselijke was weg. Waar ze die groote, vreemdlichtende oogen had verwacht, was nu niets, was het duister. Ze schrok, omdat ze een oogenblik niets zag van de zieke. Nieuwsgierig, maar toch met doodsangst nog, tuurde ze de donkerte in tot ze 't hoofd van de zieke zag, dat nog in dezelfde houding lag, doch nu met gesloten oogen. Ze luisterde, 't Was doodstil. Alleen de loome tik van de ouderwetsche klok was er. Ze luisterde scherp, omdat plots nu een vreeselijke gedachte in haar kwam. Was daar geen ademhaling meer? Ze bracht het hoofd wat naar voren, ze keek met inspanning om haar gehoor te helpen. Niets, niets. Doodstil was het er. God in den hemel, als ze eens.... Zacht, heel zacht stond ze op, liep met trillende beenen om de tafel heen, en, hoewel huiverend van vrees, ging ze nader tot de donkere kamer, stond dan stil en luisterde weer en keek met open mond. Geen ademhaling, niets, niets, en dat gelaat.... Groote God, lag daar. ... lag daar nu.... een.... lijk?.... En zij, alleen, hier, met.... met een lijk? Toen, ineens, in haar doodsangst, snelde ze naar de deur, weg van dat afschuwelijke.

Even te voren was Lise ontwaakt. Haar maagpijn had den slaap zoo volledig overwonnen, dat ze klaar wakker lag. Ze keerde zich om en dacht nu ineens aan Marie, beneden. Hoe die 't wel zou hebben nu bij de zieke? Hoe laat was het? Ze richtte zich op, keek op het klokje, dat naast het nachtlichtje op de tafel stond. Half één pas^ 't Zou ze wel niet meevallen, zoo'n heele nacht bij een zieke,

Sluiten