Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PONTIANAK

we geluk: Rita voelde zich minder goed, en onze huisdokter trok een ernstig gezicht. Aanvankelijk nam ik het niet zoo heel zwaar op; vooral wanneer je in Indië woont, waar jaarlijks zoo honderdduizenden kinderen op de meest primitieve manier, zou ik haast zeggen, ter wereld komen, dan denk je daar nogal licht over. Maar Rita ging er zoo slecht uitzien, dat ook ik me ongerust begon te maken. Zij kreeg zoo iets bijna doorschijnends van zwakte, en zij werd zoo angstig-stil als iemand die weet dat het onheil onafwendbaar nadert, 's Avonds kwam zij dan maar naast mij zitten, heel stil, alsof zij bang was door een woord de aandacht van een vreemde vijandige macht op zich te vestigen; nu en dan streelde ze mijn hand, en in haar donkere oogen stonden tranen. Ik trachtte haar op te beuren met vroolijk gepraat, of met lieve plannen voor het kindje dat komen zou, maar ook mijzelf was het dan alsof mijn keel werd toegeknepen. Na een gesprek met mijn huisdokter, besloten wij een specialist uit Soerabaja te laten komen voor een consult. Woord voor woord weet ik nog alles wat er besproken is; het was een bijna hopeloos geval, zooals zich dat misschien eens op een millioen malen voordoet. De doktoren stelden mij voor om Rita nog naar een kliniek over te brengen; ik sprak er met haar over, en zij antwoordde niets anders dan: „Hier sterven." Kent u dat gevoel meneer, dat het ineens is alsof je hart door een groote hand wordt fijngeknepen. Ik keek haar maar aan, en zweeg. En het ging zooals zij verwacht had. Er moest operatief ingegrepen worden; nog voel ik den greep van haar tengere vingers om mijn polsen, terwijl zij onder narcose werd gebracht. Het kindje, al onze hoop, onze verwachting, de doktoren hebben me zelfs bespaard het te zien. En Rita stierf den morgen na dien nacht. Maar ze kwam nog eenmaal bij, ik zat naast haar bed, gebroken, tranenloos, iemand die zelf dood is van verdriet. Haar handje had slap in de mijne gerust, toen voelde ik dat haar vingers de mijne probeerden te omvatten. Ik keek haar aan, ze was reeds bleek alsof ze al gestorven was. Maar zij sloeg haar oogen op, met moeite zochten ze mij. Ik zag dat zij spreken wilde. Ik boog mij over haar heen om haar woorden

Sluiten