Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK VAN HET TOONEEL

een «kraakie» te beramen. De kasteleines is een echt giftig serpent, en er zijn ook nog een paar bestj es, die van «een slokkie» houden en eenige andere drinkgasten. Dan komt er een jonge meid binnen, Rooie Leen, de «nieze» van Laurens en we hebben tevoren al gehoord dat ze twee maanden zwanger van hem is en dat hij het al met een ander houdt en haar in den steek zal laten. Er zit óók een waschvrouw, Manke Mie, door haar tweeden man «zaliger» mank geslagen, en haar heerachtigdoende zoontje, en er komt een bootsman binnen, Willem Broers, een goeie, eenvoudige, ronde zeeman, die mooie liedjes kan zingen. Op een gegeven moment worden Laurens en zijn kornuiten door de «Russen» (rechercheurs) ingerekend, om er secuur voor eenige jaren achter te gaan, en in haar wanhoop ijlt Rooie Leen, die dan met haar kind blijft zitten, gillende naar buiten om zich te «verdoen», maar valt bewusteloos op den vloer. De brave zeebonk, die al vroeger een oogje op de mooie meid had, helpt haar op, troost haar, en spreekt haar moed in. Hij zal haar wel trouwen hoor, hij zal haar kind wel «echten», en ze zullen samen een knus huishouentje opzetten!....

Men ziet, alle elementen van een volksstuk zijn aanwezig Er worden in deze acte al de noodige coupletten gezongen door Manke Mie en door Willem, en op een harmonica wordt lustig in de kroeg gedanst.

In de 2e acte, die 8 maanden later speelt, zijn we in een soort slop, met een binnenplaatsje, waar Manke Mie aan 't strijken is en een huisje is met bloemen-guirlandes mooi gemaakt, want Rooie Leen wordt daar thuis verwacht uit het ziekenhuis, waar ze bevallen is, en zal door de buren feestelijk ingehaald worden. Als ze komt blijkt ze niet één kindje te hebben maar.. . . een tweeling! Tableau. Ze is vreeselijk bang dat Willem, die ieder oogenblik van een zeereis aan wal verwacht wordt, haar nu niet trouwen zal, want hij heeft wél beloofd voor één kind te zorgen, maar niet voor twéé. De goeierd, als hij het dodderige tweetal ziet, is echter zóó opgetogen, dat hij uitroept: en al waren het er zes, dan trouwde ik je nóg, hoor meid!

In de 3e acte, een paar jaar later, wonen Willem en Leen, nu wettig getrouwd, in een ordentelijke, knusse kamer met een bedstee, waar ook gekookt wordt. Zij heeft hem aan wal willen houden, en hij heeft daar overal werk gezocht, maar niet gevonden, zoodat zij met negotie het geld verdient. Willem is echter geen man om door een vrouw te worden onderhouden, zijn hart trekt naar zee, en hij heeft zich weer laten aanmonsteren. Als hij weg is om even zijn monstering te gaan teekenen, komt plotseling Laurens, pas uit de «bajes» ontslagen, binnenvallen, en nü komt de groote scène van 't geheele stuk. Hij, de échte vader, wil zijn kinderen zien, en, al liet hij haar

Sluiten