Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INGEZONDEN

ANTWOORD VAN DEN HEER HENRI BOREL:

Indien ik niet uit zijn voordrachten het overdreven gebaar en het overdadig te veel aan pathos van den heer Vogel kende, zou ik misschien een beetje boos zijn om zijn aanval. Ik kan het hem echter moeilijk kwalijk nemen, dat hij schrijft zooals hij voordraagt, en zóó een doodonschuldige daad opblaast tot een misdaad.

Het heel eenvoudige feitje, waarop alles neerkomt, is het volgende:

Ik heb nooit beweerd uitgenoodigd te zijn, correspondentie te hebben gevoerd of iets dergelijks, ik heb zelfs noch een geschreven, noch een gedrukte uitnoodigingskaart onder de oogen gehad, en kan er dus moeilijk «op slinksche wijze» misbruik van hebben gemaakt.

Zóó is het gegaan: een paar avonden voor de fameuse voordracht van Albert Vogel vroeg mij een collega van een ander blad, die er blijkbaar wèl een had gekregen: „Gaat U naar die Vondel-herdenking? Ik niet, ik stuur er een ander heen. En hebt U de uitnoodigingskaart gelezen? Verbeeld U, er staat bij, dat gala-toilet vereischt is en nog wel «met ordeteekenen»!" Wij hebben toen samen hartelijk gelachen om die Vondel-herdenking «met ordeteekenen», en daar ik als kunstcriticus van »Het Vaderland* vermoedde, dat er op het redactiebureau óók wel zoo'n uitnoodiging zou liggen, zeide ik aan mijn collega: „Ik hoop dat ze er een ander heensturen, en anders zal ik trachten er af te komen, want een voordracht van Vogel een paar uur aanhooren, is mij te machtig."

Ziehier nu mijn heele «onbeschaamdheid» en mijn «slinksche wegen» en mijn «misbruik».

Daar ik later van de redactie hoorde, dat men er een ander zou heenzenden, heb ik niet eens de moeite genomen naar de uitnoodigingskaart te vragen. Ik had geen enkele reden om aan de woorden van mijn collega te twijfelen en trouwens, de heer Vogel ontkent dat ordeteekenen-voorschrift ook niet. Overigens ligt het voor de hand, dat 's heeren Vogel's woede meer het feit geldt, dat ik zijn voordracht-pathos niet genieten kan, dan het vermelden van den inhoud eener in' t geheel niet zoo erg geheime uitnoodiging, die wel aan alle bladen verzonden zal zijn.

H. B.

Sluiten