Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN BEWOGEN VRIJDAG OP DE BREESTRAAT

Meent men dan dat zij geen huishouding heeft? Moet zij niet op Donderdag de ramen lappen van haar bovenhuis je, en den grond dweilen, en had zij niet linzensoep moeten koken met meelballetjes erin, waar haar kind zoo van houdt? Denkt men dat een arme weduwvrouw niets anders te doen heeft dan met de handjes over elkaar te gaan zitten?

En die mijnheer Davids, die van toeten noch blazen

weet „Juffrouw Coronel, u gaat toch niet weg ?"

Anders hoor je niet. Of zij niet zal weten wanneer zij even weg kan gaan, om naar haar huishouding te kijken!

En denk maar niet dat-ie „tante Rifke" zal zeggen, zoon buitenpoep, zoon aangewaaide boerenpummel uit de provincie Waarom is juffrouw Duifje ook niet met een

Amsterdamschen jongen getrouwd, dien men kent, waar

men een beetje eigen mee is Er waren er toch genoeg

geweest, voor iemand die twee broers in de Liedertafel heeft....! Maar die.... ? Wat doet zoon vreemde snoeshaan in de familie, in haar familie, waar zij recht op heeft?

Maar het allereerste is de grootmoeder van de barende er geweest. Want die was er al een heele week.

Een week geleden is zij gekomen en heeft gezegd: „Ziezoo, hier ben ik, en nou ga ik niet weg voordat alles afgeloopen is." En zij heeft het heft van de huishouding in handen genomen, en van dat oogenblik af is zij het, die verordineert wat er gegeten zal worden, wat het dienstmeisje éérst en wat zij dan moet doen, hoe sterk de koffie mag zijn en wanneer er thee gezet zal worden, en die naziet of er geen zenen in het vleesch van dat mamser J) van een slager zijn, en die net zoo lang pingelt met den vischboer tot hem het bloed tot karnemelk wordt en hij de visschen

verontwaardigd weer in de mand smijt om hem dan

verschrikt bij den arm te grijpen en te vragen, of hij alsjeblieft geen leven wil maken, want er is een zieke in huis en zij zal alles betalen wat hij verlangt !

*) Die ellendeling.

Sluiten