Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN BEWOGEN VRIJDAG OP DE BREESTRAAT

Met hooge kleurtjes op de oude, gerimpelde wangetjes gaat zij rond, klein vrouwtje onder haar mutsje met linten, maar zij heeft het gezag van een stammoeder, en zelfs juffrouw Coronel waagt het niet, tegen haar op te staan....

Met al die wijven om hem heen durft mijnheer Davids nauwelijks naar binnen te gaan, om te zien hoe 't met zijn eigen vrouw is, zijn Duifje, waar hij dan toch maar mee getrouwd is, en niet 'n ander!

Het is zoo vreemd, hij heeft het al aldoor gehad, van 't begin van zijn huwelijk af, neen, van lang daarvoor....! Het lijkt wel of hij de vreemde blijft in de familie, of hij nauwelijks geduld wordt, of zijn vrouw eigenlijk maar half zijn vrouw is....

En waarom? Is hij soms niet een flinke, schrandere, ondernemende jongeman, waar die stomme stadslui met hun verstopt gemauch3) niet bij halen kunnen? Is er zóóveel op hem te zeggen? Verstaat hij zijn vak niet? Doet hij niet zijn best?

Droevige gedachten wellen bij mijnheer Davids op

Hij voelt zich een vreemde in eigen huis.... Zijn Duifje, zijn vrouw, die hij nog nauwelijks goed kende, wat is die nu ver van hem af....! Wat is het leven zwaar....! Wat kan hij verlangen om al die vreemden weer uit het huis te weten, om eens even te kunnen uithuilen, met het hoofd op een trouwe knie.... aan een trouwen schoot....

Eigenlijk verlangt hij nu, juist nü, naar die vrouw, die

daar zoo ziek ligt Nu heeft hij behoefte aan haar, om

hem te troosten in het leed dat hij juist lijdt om haar

Want zóó zijn mannen, en zóó is de liefde van mannen: hun verlangen is om te ontvangen.... Zij hunkeren ook naar de moeder in ons, naar de zachte, begrijpende liefde die zij behoeven in hun nood en zij zouden nog naar ons verlangen op den dag dat wij heengegaan zijn, als het huis zoo leeg en vreemd en onverzorgd is om hen heen, en zij met dat groote verdriet in hun

Verstopte hersens.

Sluiten