Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN BEWOGEN VRIJDAG OP DE BREESTRAAT

Zij bleef met gesloten oogen liggen. Haar gezicht voelde koud, klam....

„Duifje....! Hoor je ons niet? Duifje, mijn oogappel, zeg dan eens wat....?" Tranen vielen op het kussen, op dat witte gelaat en die ze geplengd had, veegde ze voorzichtig weer af....

Zij bewoog de oogen zonder ze te openen, en schudde nauw merkbaar van neen.

Zij was te moe om iets te zeggen....

Er is een doodelijke vermoeidheid, die ons niet toestaat een beweging te maken, ja zelfs te denken....

Op dat oogenblik trad de dokter in.

„Hoe is het?"

Een zacht koor verhief zich.

„Was u maar een beetje eerder gekomen....! Was u maar niet weggegaan....!"

„Ze kan nebbisj niet meer.... Aardig hebben we naar u verlangd....!"

Hij trad bij het bed. Hij nam haar pols, met de streeling zijner handen, en het was alsof er warmte door haar heen vloeide. Zij sloeg de oogen op en die hulpelooze, zoete, nauwelijks klagende blik was hem als een aanraking op zijn naakte ziel....

Hij wenkte de anderen weg. ,,'s Zien of er voortgang is," zei hij, de deken terugslaande.

De baker kwam bij hem staan, ,,'t Zet niet door," mompelde zij.

„En anders moeten we andere maatregelen nemen," fluisterde hij terug.

Ze keken elkander aan. De baker schrok. „God zal hieten *) und bewaren!" mompelde zij.

„Misschien kan ze wat rusten," zei hij meelijdend.

Hij liet allen uit de kamer gaan. „Nee, ik ga niet weg," zei hij geruststellend, „ik blijf erbij zitten."

En het werd stil in de kamer,

In het bed lag de patiënt, er voor zat de dokter, het hoofd in de hand.

*) Behoeden.

Sluiten