Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN BEWOGEN VRIJDAG OP DE BREESTRAAT

barende, die van weedom de kamer uitgegaan was, met de handen ineengeklemd in den schoot te staren.... Haar bleeke, bezielde gezicht ving het beetje licht, dat uit 't trapgat viel.

Maar boven in het huis werd iets ruchtig.... Zwaar kwam vader Schloume aangestommeld, die eenzaam door den winkel was binnengekomen en naar boven gegaan, door niemand opgemerkt.... Hij vroeg niets, wou niets zien.... wat hij hoorde, was genoeg.... Maar nu was hij al zoo lang boven geweest, de geluiden beneden verminderden. ... Hij begon zich onbehagelijk en veronachtzaamd te voelen.... Wie keek nog naar hem om, wie gaf nog wat om hem? Was hij niet de vader, en had men hem in zijn smart niet moeten ontzien? Maar neen, den heelen dag werd hij aan zichzelf overgelaten, bekommerde men zich niet om hem, liet hem maar loopen.... Hij voelde zich tot schreiens toe vol, van wanhoop om alles, van medelijden met zichzelf .... En hij kwam de trap af, hij wou niet langer vergeten zijn....

Maar wie zat daar beneden? Wie stond op om hem door te laten en drukte zich zoo bescheiden, zoo stil tegen den muur.... ? Dat was immers zijn eigen vrouw? Hij begreep het niet....

„Waarom ben je dan daar gaan zitten.... ?"

Toen vloeiden de tranen uit die bedroefde oogen. „Ach, weih ist mir....!" zei ze zacht....

En ineens begreep hij hoe zelfzuchtig hij geweest was, en wat die daar lijden moest, een moeder.... Zijn hart brak in teederheid

„Och, mijn arme vrouw, mijn arme Scheine, moet je dan zoo huilen? Nou, kom dan maar, kom dan maar hier bij je man, laat ik je troosten, daar, huil dan maar niet meer, wees maar stil...."

En samen huilden zij, de armen vast om elkaar geslagen, en samen bleven zij zitten, op de trap, om het noodlot af te wachten

Maar binnen werd het stil, een stilte des doods.... Het

Sluiten