Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ROMAN VAN EEN SCHILDER

den zich met den schemer en werden onzichtbaar voor den kunstenaar. Op de duisterste plekken schenen de muren achteruit te wijken en de immense ruimte verdiepte en verbreedde zich naar alle kanten. Langs de wanden schoven er wonderlijke schimmen, vreemde wezens uit een andere wereld, die zich verwrongen in onbegrijpelijke houdingen en gebaren. En temidden van deze fiere, titanische gestalten, die hij zelf geschapen had, voelde de schilder zich zoo eenzaam en verlaten, dat hij schuw zijn gelaat achter den arm verborg.

In zijn verbeelding aanschouwde hij thans opnieuw de wijde, strakke pupillen, die hem uit den spiegel tegenblonken. En opeens herinnerde hij zich den ochtend, toen hij ontwaakte na zijn eersten huwelijksnacht. Erica sliep nog; haar hoofd lag naast hem op het kussen en om haar lippen speelde een vluchtige glimlach. Onontwarbaar kronkelde er zich een lange haarvlecht om zijn hals en de warmte, die haar lichaam verspreidde, omwikkelde zijn leden met eenzelfde bindende teederheid. Hij kuste haar toen op den mond, schuchter en voorzichtig, zooals een, die bang is pijn te doen. Haar wimpers trilden en in den slaapdronken blik, waarmee zij hem aankeek, las hij de dankbare verwondering eener maagd, die in de mysteriën der liefde werd ingewijd en thans eerst den dieperen zin van het leven doorgrondde....

(Wordt vervolgd.)

Sluiten