Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AS* ALOÏMESN OVElZIGT DER. WERELD'.

doet aanmerken. De Peruaan, de Indiaan, de Wilde V elk heeft zijne dwaasheid, en zijne wijsheid, die hem als natuureigen zijn. Eene zamenvoeging intusfchen is deze, zoo wel en verftandig beraden, dat uit de verfcheidenheid van manieren onder de menfchen een geheel ontftaat, misfchien vöor de wereld, door deze Verfcheidenheid, even nuttig als al het overige. ■ Alles zij in ieder land eenparig; ieder Republikein zij liedaard en phlegroatiek;' ieder Franschman levendig en Vrolijk. Zoude het geene onbezonnenheid zijn , over en ■«veder elkander te verachten, zonder alvorens beflist te hebben, welke van deze twee karakters met de Rede 't meest onbeftaanbaar zij? 't Geen, derhalve, de eene Natie tot hoogachting boven de andere, meer of min geregtigd maakt, is, de meerdere of mindere regtvaardigheid, opregtheid en goede trouwe, die men onder haar verfpreid viadt. Doch aangezien niemand zich van zijne voorregten wil ontdoen, en nog minder, te zijnen koste, anderen daarmede bekleeden, zoude het de verftandigfte keuze ziin , allé menfchen hoog te acnten , met voorbehouding echter, dat in dè bijzonderheden een oordeel naar waarheid Werd geveld.

Zou de vreemdeling, door onmetelijk Uitgebreide wateren van ons gefcheiden, zonder zijne wijsheid in de waagfchaal te ftellen, ons kunnen berispen, dat wij aan de gevaren van lange zeetogten on3 blootftellen, om in; zijn vaderland dingen te gaan zoeken, die hij veracht, ónr geene andere reden',-dan omdat hij dezelve als nergens toe nuttig befchouwde, indien hij wist, dat zij ons geluk bevorderen, omdat zij om ons te verrijken dienen? Gelukkiger dan wij, naardien hij, zonder zijn1 land të verlaten, misfchien de middelen bij de hand: heeft', om zich aldaar, aanzien te bezorgen; en omdat wij, zonder het vermogen om ons te verrijken, niet Hechts als niets gerekend, maar zelfs van onze landgenooten veracht worden.

Wezens van' dezelfde foort, zoude men zeggen, moesten zich gedragen hebben naar dezelfde wetten, eene zelfde bron van heil en onheil voor allen ; naar dezelfde zucht tot geluk;: dezelfde gretigheid om het zich aan tè fchafien; dezelfde afkeerigheid van alles, 't geen ! daaraan nadeelig zijn'kan.- Moesten dan de Wetgevers itt hunne grondregelen dermate van elkander verfchillen ,

dar.

Sluiten